print versie

Het niet zo geheime pact van de superspion

Rosa Miriam Elizalde, uit Juventud Rebelde, 6 mei 2007

Neem plaats in de loges, want de sage van Luis Posada Carriles in de Noord-Amerikaanse rechtbanken begint interessant te worden door de motie van het openbaar ministerie waardoor elke verwijzing naar de banden van de terrorist met de CIA uit de rechtszaak wordt gehouden.
Er werd zelfs een brief opgedist die hij in 1976 ondertekende voor zijn werkgevers van het Agentschap, een zogenaamd bewijs van het feit dat de relatie van Posada met de CIA in 1976 “op het punt staat om beëindigd te worden” en van de afspraak om onder ede “geen enkel geheim te onthullen”.
Merk op dat de tekst niet zegt dat zijn relatie met de CIA “werd stopgezet”, maar “op het punt staat beëindigd te worden”, een grammaticale wending met een subtiliteit die een filmscenarist zou doen dromen. In feite deed deze voorzichtige omschrijving me denken aan “Munchen”, de film van Steven Spielberg over de moord op verscheidene Palestijnen op bevel van Israël na het bloedbad tijdens de Olympische Spelen van Munchen in 1976, waarbij 11 Israëlische atleten omkwamen.
De sleutelscène in de film is het moment waarop de superspion van de Mossad, Avner Kauffmann, de lijst krijgt met de veronderstelde opdrachtgevers voor de aanslag. Hij moet de Palestijnen op die lijst vermoorden en krijgt ‘carte blanche’ om, in gelijk welk land ze zich bevinden, alle mogelijke wetten te overtreden. Voordat hij de geheime opdracht uitvoert en waarschijnlijk volgens de toen gangbare procedures, moet hij een brief ondertekenen waarin hij bevestigt geen lid te zijn van de Israëlische inlichtingendienst. “Vanaf nu sta je er alleen voor”, zegt de chef van de geheime dienst hem met een knipoog.
Het is niet moeilijk ons een gelijkaardige scène voor te stellen tussen Posada Carriles en zijn overste van de CIA op die 13de februari in 1976, een datum die het Noord-Amerikaans openbaar ministerie ons met die precisie geeft. We moeten zelfs niet speculeren. De aanwijzingen dat zoiets perfect kon gebeuren, zijn meermaals vastgesteld in verscheidene uitgelekte documenten van de CIA en de FBI, in verordeningen van haar eigen bestuur en in onderzoeken van geschiedschrijvers en journalisten. De Cubaanse schrijver José Luis Méndez geeft in zijn boek “De wereld bevrijden van het terrorisme” (Editora Política, 2003) uitgebreide informatie over de door Noord-Amerika gefinancierde gewapende groepen, die voor eigen rekening begonnen te werken met zulk een lichtzinnige onwetendheid, dat de geheime diensten van het land argwaan koesterden. In 1975 vonden 39 van de 61 terroristische acties van die groepen plaats op Noord-Amerikaans grondgebied en meestal met gebruik van explosieven. Méndez bevestigt dat er in 1976 een geheime overeenkomst werd gesloten tussen de autoriteiten van de Verenigde Staten en de terroristen om het geweld “op andere plaatsen in de wereld” uit te oefenen en de aanslagen in de Verenigde Staten te verminderen.
Officiële Noord-Amerikaanse documenten bevestigen dat de oprichting in juni 1976 van de CORU – de organisatie geleid door Orlando Bosch, verantwoordelijk voor het opblazen van het Cubaans vliegtuig in 1976 – een operatie was van de CIA. “De Cubanen belegden de vergadering van de CORU op verzoek van de CIA. Halverwege de jaren 70 gedroegen de Cubaanse groepen (…) zich uitzinnig en de Verenigde Staten waren de controle over hen kwijt. Daarom steunden ze de bijeenkomst om hen opnieuw in dezelfde richting en onder hun gezag te krijgen. Het ordewoord was: voorwaarts en doe wat je wil, maar wel buiten het grondgebied van de V.S.” Deze getuigenis komt van een politieofficier uit Miami en staat in het boek “Vermoord in Washington. De zaak Letelier” (Lasser Press, 1982) van de Noord-Amerikaanse schrijvers John Dinges en Saul Landau.
Het is ook geweten dat de hoofdofficier van justitie Edward H. Levi aan zijn federale ambtsgenoot van Miami heeft opgedragen een speciale ordetroep op te richten die de agressieve instroom van Cubaanse emigranten moet controleren. De strategie zou erin bestaan om iedereen te schaduwen en alles wat de Cubaanse revolutie kan schaden door de vingers te zien.
Zou het u verwonderen dat Posada Carriles een opdracht kreeg zoals die van Avner Kauffman? Hoe kan men anders verklaren dat hij en zijn medewerkers die het vliegtuig lieten exploderen altijd verwezen naar de CIA, als hen werd gevraagd wie verantwoordelijk was voor de aanslag? Vanwaar de hoogmoed die hij ten toon spreidde vanaf het moment dat hij op Noord-Amerikaans grondgebied kwam? En vanwaar de wanhopige pogingen van het openbaar ministerie om hem de mond te snoeren voor de rechtbank van immigratie in El Paso en nu voor de federale rechtbank?
Deze spionagefilm lijkt niet op die van Spielberg. De plot is al gekend. De vergelijking is overduidelijk: de CIA en Posada Carriles zijn hetzelfde als de Verenigde Staten en het terrorisme. Er zijn geen verrassingen. Toch moeten we de gave van het bestuur van Bush om van de geschiedenis een soap te maken, niet onderschatten.
De onfrisse praktijken van een crimineel en zijn opdrachtgever komen stilaan uit. Hoeveel zal men aan het licht laten komen? Zal Posada weerstaan aan de chantage? Zullen ze hem ter verantwoording roepen?
Neem plaats in de loges, dames en heren. Zoals ik al zei, kan deze film heel interessant worden, en hij is nauwelijks begonnen.

(vertaling Yola Ooms)

omhoog