|
Mijn land en mijn volk is al 40 jaar lang verplicht wakker te worden met gevaar en zijn vrijheid te verdedigen. Pleidooi van de kameraad Fernando González Llort op de rechtszitting van dinsdag 18 december 2001, waar het vonnis uitgesproken werd. Edelachtbare : Ik sluit me aan bij mijn kameraden die me hier zijn voorgegaan, in hun waardering en dankbetuiging voor de professionele houding van de heer Richard, van de vertaalsters, die efficiënt werk geleverd hebben, en van de US Marshalls. Ik sluit me ook aan bij wat hier gezegd is door elk van mijn broeders tijdens de zittingen waar hun vonnis uitgesproken werd. Het is een eer voor mij te kunnen rekenen op de vriendschap van dergelijke kameraden en broeders, die het onjuist vonnis met zoveel moed en waarde aanhoorden. Ik wil ook mijn dank betuigen voor het professionalisme van de advocaten die ons vijven hier verdedigd hebben en in het bijzonder aan Joaquin Méndez en het bureau van de prodeo-advokaten van het Zuiddistrikt van Florida. Als het voor mij niet zo duidelijk was dat het fanatisme, de haat en het irrationele gedrag tegen Cuba slechts voortgebracht en gestimuleerd wordt door een minderheid van de hier wonende Cubaans-Amerikaanse gemeenschap, dan zou ik nooit aanvaard hebben vertegenwoordigd te worden door een lid van die gemeenschap. Zijn professionalisme is er in dit geval een bewijs van dat de meerderheid van de Cubaans-Amerikaanse gemeenschap van Florida zich rationeel gedraagt jegens zijn land van oorsprong, ook al houden ze er een andere mening op na dan de Cubaanse regering. En dit in tegenstelling tot wat diegenen die de Spaanstalige communicatiemiddelen controleren willen doen geloven met hun heftige anti-Cubaanse uitvallen. Het feit dat honderdduizenden Amerikanen van Cubaanse afkomst jaarlijks naar Cuba reizen en geld opsturen naar hun familie daar toont dat ook aan. Zij die geloven dat de Cubaanse radio van Miami en de extremistische Cubaanse organisaties daar, de denkwijze van de meerderheid van de Cubano-Amerikanen die in die stad wonen vertegenwoordigen, trappen precies in de val van deze sector van extremisten. Ze vertegenwoordigen slechts een minderheid, maar hebben een grote economische macht en willen het doen voorkomen alsof zij de overheersende en eenduidige gevoelens van de honderdduizenden Cubanen die hier leven vertegenwoordigen terwijl dat helemaal niet met de waarheid strookt. Edelachtbare: Eerst dacht ik dat het Openbaar Ministerie hier vandaag naar deze zitting zou komen om voor mij een vonnis van één jaar voorwaardelijk te eisen. Want dat was wat uiteindelijk datzelfde Openbare Ministerie voor de heer Frómenta voorstelde toen die van een undercoveragent van de staat een ‘Stingerraket', C-4 explosieven, granaten en wapens trachtte te kopen. En dat ondanks het feit dat diezelfde heer Frómenta aan die undercoveragent zijn terroristische plannen had opgebiecht en uit de doeken had gedaan hoe hij dat materiaal meedogenloos zou gaan gebruiken voor zijn moorddadige plannen. Enig denken bracht me tot bezinning. Ik zag in dat het een illusie was te hopen dat het Openbare Ministerie mij op dezelfde manier zou behandelen. Ik ben immers een Cubaan van de overkant, van het eiland. En dat houdt in dat er bij de inbeschuldigingstelling factoren gaan meespelen, zoals onwetendheid over hoe Cuba nu echt is, haat en onredelijkheid jegens mijn land. Dit zijn de opvattingen die gestimuleerd worden door een extremistische sector die de controle heeft over wat er hier over Cuba beweerd wordt en die er zich op toelegt elke andere meer redelijke opvatting daarover monddood te maken. Terwijl hier in deze rechtszaal het vonnis uitgesproken werd, overleed Esteban Ventura Novo, en ik vermeld dat omdat ik denk dat het een symbolische waarde heeft. Esteban Ventura Novo was voor de overwinning van de revolutie, een van de leiders van de politie van Batista in Cuba. Hij was verantwoordelijk voor het folteren, vermoorden en verdwijnen van tientallen jongeren in de Cubaanse hoofdstad. En dat gebeurde allemaal met de goedkeuring en steun van de regering van de Verenigde Staten, toen onder leiding van Eisenhower. Toen de revolutionaire regering de macht nam in Cuba, werden Ventura Novo en anderen, die net als hij verantwoordelijk waren geweest voor misdaden tegen het volk, met open armen ontvangen door de regering van dit land. Verschillenden van hen kregen hulp,leiding en financiering van de Amerikaanse inlichtingendiensten en werden door hen gebruikt in hun vuile oorlog tegen een regering die duidelijk kon en nog steeds kan rekenen op de steun van zijn volk. Zo ontstond er een geschiedenis van agressies tegen Cuba en dat in alle aspecten van het economisch en sociaal leven van het land. Een geschiedenis waarin economische oorlog, biologische agressie, psychologische propagandaoorlog en de militaire dreiging hand in hand gaan met terrorisme, sabotage, paramilitaire acties en moordpogingen op de politieke leiders van de Revolutie; acties die nagenoeg allemaal georganiseerd worden vanuit het zuiden van Florida. Het Openbaar Ministerie beweert dat dat allemaal propaganda en paranoia is vanwege Cuba. Ik vraag me af of het de moed zou hebben dat in Cuba zelf te gaan vertellen aan de moeders, echtgenotes en kinderen die familieleden verloren door die daden van agressie. De houding van het Openbaar Ministerie toont aan dat het een gebrek aan menselijk gevoel heeft en niet over het vermogen beschikt zich in te leven in de tegenpartij. Omdat ze rechtstreeks georganiseerd worden door de inlichtingendiensten van de Amerikaanse regering, omdat die diensten steun verlenen aan de extremistische groepen die acties uitvoeren, of gewoon omdat die groepen ongemoeid gelaten worden, niet echt vervolgd worden en welwillend behandeld worden als er dan toch eens iemand wordt aangehouden, worden de activiteiten van die terroristische en paramilitaire groepen, die van Cubaanse oorsprong zijn en gevestigd in het zuiden van Florida, gebruikt als instrumenten van de buitenlandse politiek van dit land jegens Cuba. De terroristische groepen van Cubaans uiterst rechts in Miami werden opgericht, getraind en gefinancierd door de CIA. Voor het Cubaanse volk is dat altijd duidelijk geweest. Mocht daarover nog twijfel bestaan bij de aanwezigen hier in de rechtszaal, dan kunnen ze de door de regering van de Verenigde Staten in 1997 en 1998 vrijgegeven documenten raadplegen waarin de beslissingen die genomen werden door de hoge leiders van dit land vermeld staan. Een van die documenten verwijst naar een vergadering waaraan hoge functionarissen onder leiding van de toenmalige vice-president Richard Nixon deelnamen en waar het zogenaamde “Plan voor geheime actie tegen het regime van Castro” goedgekeurd werd. In een memorandum over die bewuste vergadering, schrijft een van de deelnemers, Generaal Goodmaster: “De president zei dat hij geen beter plan kende om deze situatie te meesteren. Het groot probleem is de infiltratie en de veiligheid. Iedereen moet bereid zijn te zweren dat hijzelf (Eisenhower) hier niets van afweet (…). Hij zei dat onze betrokkenheid bij niets van wat er gedaan werd mocht blijken.” Ik vraag me af wat we nog mogen verwachten binnen 30 of 40 jaar als men beslist documenten vrij te geven over wat er nu gebeurt Het grootste deel van de Cubano-Amerikanen die vandaag, 40 jaar later, nog steeds bezig zijn met terroristische acties tegen Cuba, zijn welbekend bij de veiligheidsdiensten van de Verenigde Staten. Ze waren immers lid van die diensten en leerden er werkmethodes aan en hoe ze technische middelen moeten gebruiken. Door hun banden met de fundamentalisten van uiterst rechts in de Amerikaanse politiek zijn ze in verband gebracht met de zwartste bladzijden uit het recente verleden van dit land: de moord op president Kennedy, het Watergate-schandaal, de moord op Orlando Letelier en Ronni Moffit en de clandestiene wapenleveringen aan de Nicaraguaanse contras, waarmee men de wetten die door het Congres goedgekeurd waren, overtrad. Hun handelingen zijn steeds tegen de belangen van het Amerikaanse volk ingegaan. Misschien dat de medeplichtigheid met en de trouw aan die politieke sector van deze maatschappij hen straffeloosheid garandeert voor hun acties tegen Cuba. Ze putten er de zekerheid uit dat hun activiteiten door de autoriteiten gedoogd zullen worden en weten bovendien dat er politieke druk voor hen zal uitgeoefend worden mochten ze toch ooit gevangen genomen worden. De feiten tonen aan dat het zo is. Er zijn de gevallen Luis Posada Carilles en Orlando Bosch, beiden met een uitgebreid verleden van banden met de CIA. Het zijn de intellectuele auteurs van het opblazen in volle vlucht van een Cubaans commercieel vliegtuig op 6 oktober 1976, waarbij 73 onschuldige mensen het leven lieten. Orlando Bosch leeft in alle vrijheid in deze gemeenschap dankzij de “voorwaardelijke vrijlating” die hem verleend werd door ex-president George Bush. Nochtans wordt hij door de autoriteiten zelf van het Ministerie van Justitie van dit land als gevaarlijk en bekend terrorist bestempeld. Bij het bekomen van die presidentiele “voorwaardelijke vrijlating” speelden de druk en aanbevelingen van de republikeinse vertegenwoordigster voor Florida, Lleana Ros-Lehtinen, een belangrijke rol. Ze is dan ook een verdedigster en beschermster van terroristen. De bewijzen die door de Verdediging werden voorgelegd, documenten, die zoals we tijdens het proces zagen bij het FBI bekend waren, bewijzen dat Orlando Bosch nog steeds samenzweringen op het getouw zet vanuit Miami, om terroristische acties tegen Cuba te ondernemen. Niemand is hem gaan aanhouden. Op 22 augustus laatstleden verscheen er in The Miami Herald een paginagrote advertentie waarin het zogenaamde “Cubaans Patriottisch Forum” als een van zijn principes naar voor schuift dat het het gebruik van alle middelen in de strijd tegen Cuba erkent en steunt. Een van de onderschrijvers van die verklaring is Orlando Bosch. Dat is de straffeloosheid waarmee hij hier kan handelen. Het geval Posada Carilles is nog schandaliger. Gevlucht uit een gevangenis in Venezuela, waar hij opgesloten was wegens zijn medeplichtigheid aan het opblazen van de Cubaanse commerciële lijnvlucht waarbij 73 onschuldige burgers om het leven kwamen, duikt hij op in Centraal Amerika onder een valse naam en onder de orders van Kolonel Oliver North, ambtenaar van Veiligheidsraad van de regering van president Reagan, betrokken bij een illegale activiteit, bekend als het Iran-Contra schandaal, dat later door een Speciaal Onderzoeksrechter onderzocht werd. Daarover bestaan documenten en het is bekend bij de veiligheidsdiensten van de Verenigde Staten. Zoals ze ook weten dat het de Cuban American National Foundation (CANF) was die de vlucht van Posada Carilles uit de Venezolaanse gevangenis organiseerde en financierde. Vandaag zitten Luis Posada Carilles en drie andere in Miami levende Cubano-Amerikanen gevangen in Panama. Stuk voor stuk mannen met een lange staat van dienst van terroristische acties tegen Cuba en ook op het grondgebied van de Verenigde Staten. Nu zitten ze vast omdat ze betrokken zijn bij een samenzwering die tot doel had de aula van de universiteit van de hoofdstad van dat land met C-4 explosieven op te blazen op het ogenblik dat Fidel Castro er een ontmoeting zou hebben met duizenden Panamese studenten. Vanuit Miami wordt steun verleend aan die terroristen die in Panama in de gevangenis zitten. Via openlijke collectes wordt er geld ingezameld voor hun verdediging en men gebruikt daarvoor de Cubaanse radiozenders. Men voert druk uit op de Panamese autoriteiten. Men coördineert de legale verdediging van de terroristen terwijl men gelijktijdig de eventuele vlucht van de beschuldigden voorbereidt. En moet het nog gezegd dat ze hier, in de door de uiterst rechtse Cubanen gecontroleerde radio en pers, als patriotten opgevoerd worden en niet als de ordinaire terroristen die ze in feite zijn. Dat alles gebeurt onder de ogen van de autoriteiten van dit land. We zouden een zeer uitgebreid overzicht kunnen geven van de terroristische en paramilitaire activiteiten en van de moordpogingen op de Cubaanse politieke leiders die vanuit het zuiden van Florida georganiseerd werden. Over die moordpogingen maakte de Commissie Church van de Amerikaanse Senaat in 1975 een rapport waarin een gedeeltelijke lijst voorkomt van die pogingen waaraan de CIA rechtstreeks deelnam, en waarbij ze geholpen werd door figuren uit de georganiseerde misdaad. Zover gaat het gebrek aan ethiek. Welke optie rest er het Cubaanse volk om zijn soevereiniteit en veiligheid te verdedigen? Allen hier in de rechtszaal zijn vertrouwd met het begrip “sterk vermoeden van misdaad” dat ondermeer gebruikt wordt om politieonderzoekers toe te laten bepaalde middelen en methodes te gebruiken, huiszoekingen te doen, arrestaties te verrichten enz. Welk lid van de Amerikaanse regering kan hier in deze rechtszaal beweren dat er de voorbije 42 jaar geen “sterk vermoeden van misdaad” is geweest, om het onderzoek te verantwoorden en juridisch toe te laten, naar de acties tegen Cuba die uitgaan of gefinancierd worden vanuit het zuiden van Florida. In een vlaag van hypocrisie dreigde de openbare aanklager er tijdens ons proces mee, de R.I.C.O. wet toe te passen tegen de getuigen van de Verdediging als die hier in de zaal zouden komen getuigen. En dat alles om te vermijden dat de terroristische activiteiten waaraan deze heren deelgenomen hebben aan het licht zouden komen. De R.I.C.O.wet die door het Congres werd goedgekeurd om vooral de georganiseerde misdaad te bestrijden, is al meer dan 20 jaar in voege. En nooit werd ze toegepast op een van de terroristengroepen hier uit Miami ondanks het feit dat de regering over de nodige informatie beschikt om het te doen. Hier dus een duidelijk voorbeeld dat er wel degelijk wetten bestaan om die personen en groepen gerechtelijk te vervolgen. Maar in de feiten blijkt dat er op zijn minst geen politieke wil geweest is om dat te doen. Indien die politieke wil zou bestaan, dan had men heel wat terroristische organisaties die in Miami openlijk bureel houden moeten opdoeken en hun leden moeten gevangen zetten. Zeer in het kort is dat de realiteit waaraan het Cubaanse volk het hoofd heeft moeten bieden en waarmee het meer dan 40 jaar heeft moeten leven. Het Cubaanse volk heeft het recht zich te verdedigen want de Amerikaanse regering heeft tot op heden, - en zij is het die tot taak heeft de wetten van dit land te doen toepassen en ze uit te vaardigen indien dat nodig is om de misdaad te bestrijden -, zeer weinig of niets gedaan om de activiteiten tegen Cuba een halt toe te roepen. Het is in die context dat we in de jaren 90 belanden. Cuba beleeft dan de meest kritische economische periode van de voorbije 40 jaar en die hoofdzakelijk veroorzaakt wordt door externe factoren. De terroristische groepen die in Miami zitten en banden hebben met politiek uiterst rechts van de Verenigde Staten, dachten dat het uur gekomen was om de revolutionaire regering van Cuba de genadeslag toe te brengen en ze voerden zowel hun politieke activiteiten op als hun terroristische acties. De CANF was de invloedrijkste organisatie van de Cubaanse gemeenschap omwille van de economische middelen waarover ze beschikte en de invloed die ze uitoefende op sleutelfiguren uit de regering van de Verenigde Staten. Haar strategie bestond erin het Congres maatregelen te laten goedkeuren die tot doel hadden het Cubaanse volk economisch te wurgen en dit in de ijdele hoop dat het volk in opstand zou komen tegen de revolutionaire regering terwijl zij van haar kant vanuit Miami een hele reeks terroristische aanslagen tegen Cuba organiseerde en financierde met de bedoeling de economie, die al stilaan aan het recupereren was, schade toe te brengen. Die terroristische golf tegen toeristische installaties in Cuba werd gefinancierd en georganiseerd door de CANF. De belangrijkste terrorist, Posada Carilles, gaf in de krant The New York Times toe dat hij verantwoordelijk was voor de uitvoering van die aanslagen en voor de financiering ervan met geld van die organisatie. In de artikels die door die krant gepubliceerd werden op 12 en 13 juli 1998, geeft Posada Carilles stilzwijgend toe dat hij ageerde als de gewapende arm van de CANF. In datzelfde interview legt hij uit dat de Amerikaanse autoriteiten geen enkele inspanning gedaan hebben om hem te verhoren over de terroristische aanslagen tegen hotels in Cuba en hij schrijft dat gebrek aan optreden toe aan zijn langdurige relatie met die autoriteiten. Hij zegt letterlijk: “Zoals je kan zien (…) De FBI en de CIA vallen me niet lastig, en ik laat hen ook gerust. Telkens ik ze kan helpen, doe ik het.” In de dagen die daarop volgden deed de welbekende anti-Cubaanse pers van Miami er alles aan om die verklaringen en zware bekentenissen die The New York Times gepubliceerd had uit het geheugen van de gemeenschap te wissen. Het thema verdween uit de lokale media en ruimde plaats voor een ware obsessie van die gemeenschap: een zogezegde ziekte van President Fidel Castro. Dat het een vals bericht was dat na enkele dagen als een pudding in elkaar zakte was van geen tel. Het speelde de rol die het moest spelen: de gewone man was vergeten wat The New York Times gepubliceerd had en vergat ook de beroering die door de verklaringen van Posada Carilles was ontstaan. Diegene die dat niet hadden mogen vergeten waren het FBI en de andere Amerikaanse autoriteiten, want de vernoemde artikels werden op 12 en 13 juli gepubliceerd. En precies 26 dagen voor de publicatie van die artikels was er een officiële Amerikaanse delegatie, waarvan ook leden van het FBI deel uitmaakten, in Havana. Daar kregen ze uitgebreide informatie, waaronder videobeelden en geluidsopnames die bewijzen bevatten van de betrokkenheid van de CANF en van hoge leiders uit die organisatie bij de organisatie en financiering van terroristische daden tegen Cuba. Een groot deel van dat materiaal werd door de Verdediging in deze zaak als bewijsmateriaal gebruikt. Cuba wacht nog steeds, en er is nu al meer dan drie jaar verstreken, op enig teken van het FBI om de eerste van de mensen die daarbij betrokken waren aan te houden. Op 26 oktober 1990 maakte de heer Angel Berlingueri, toen speciaal agent van het FBI bij de afdeling Miami, zijn opwachting in het radioprogramma “Ronde Tafel”, dat uitgezonden wordt door de zender WAQI”Radio Mambi”. Toeval wil dat die agent 8 jaar later betrokken is bij mijn arrestatie en in deze Rechtszaal kwam getuigen. Hij verscheen dus als gast in dat radioprogramma, dat plaatsvond bij dezelfde zender, met dezelfde journalist of interviewer en in hetzelfde programma dat normaal gebruikt wordt om fondsen in te zamelen voor acties tegen Cuba en voor de verdediging van terroristen. Hetzelfde programma doet ook dienst als anti-Cubaans propagandamiddel en als spreekbuis voor een door zijn fanatisme gekenmerkte politieke actie. Het is dus in dat programma dat de speciaal agent van het FBI optrad. Het valt op dat in hetgeen hij tegen de luisteraars uitlegt en zegt over de vermeende activiteiten van agenten van de Cubaanse regering in het zuiden van Florida , er met geen woord gerept wordt over datgene wat te maken heeft met de nationale veiligheid van de Verenigde Staten, terwijl men wel toegeeft dat er hier in Miami groepen bestaan die samenzweren om de Cubaanse regering omver te werpen. Iets wat ingaat tegen de Neutraliteitswet, ook al zegt hij over dat laatste niets in het interview. In datzelfde interview erkent de agent van het FBI dat er vanuit Miami acties en aanslagen uitgevoerd worden tegen de regering van Cuba en dat het de bedoeling is van de Cubaanse regering op de hoogte te blijven van die plannen. Als klap op de vuurpijl zegt die FBI-agent in zijn afscheidswoord aan de luisteraars, dat ze moeten weten dat “wij aan het strijden zijn en hetzelfde doel nastreven: dat Cuba zo snel mogelijk vrij zou zijn”. Bij mijn weten werd het FBI niet opgericht om te vechten voor de vrijheid van eender welk land en hoort dat ook niet bij haar opdracht. Maar deze verklaringen maken wel duidelijk wat de politieke agenda is van de FBI-afdeling in het zuiden van Florida. Deze verklaringen werden afgelegd in oktober 1990, en vallen precies samen met het begin van een decennium waarin de terroristische acties tegen Cuba vanuit het zuiden van Florida toenamen. Dergelijke uitlatingen uit de mond van een FBI-agent en afgelegd voor een radiozender en in een programma met de karakteristieken die ik al vermelde, kunnen enkel een stimulerend effect hebben op de organisatoren van terroristische acties tegen Cuba en hen de zekerheid verschaffen dat ze niet vervolgd zullen worden voor hun activiteiten. Enkele dagen na het vonnis in ons proces, verscheen de heer Hector Pesquera, dienstdoend agent van het FBI-katoor in Zuid-Florida voor diezelfde radiozender, in hetzelfde programma en met dezelfde moderator. Wat kan Cuba in het licht van die realiteit doen om zich te beschermen en op de hoogte te zijn van terroristische plannen? Kan men betrouwen op de autoriteiten van het FBI in het zuiden van Florida als het gaat over zaken die te maken hebben met de veiligheid van Cuba? Kan iemand van de hier aanwezigen zich bij de Amerikaanse regering aanbieden om op de hoogte gesteld te worden over de activiteiten van terroristische groepen om deze te verhinderen en zo de dood van onschuldigen te voorkomen? Wat kan Cuba doen om zijn volk te verdedigen als de boten die uit Florida komen en die vol wapens zitten om Cuba aan te vallen tegengehouden worden door Amerikaanse autoriteiten en deze zich tevreden stellen met een verklaring in de trend van: “We zijn op langoesten aan het vissen?”. Dat hebben we hier in de rechtszaal horen verklaren door een agent van het ATF, die een boot geladen met wapens en met Cubaanse landkaarten tegenhield op amper 40 mijl van onze kusten. Op 23 juli 1998 drukt The Miami Herald verklaringen af van de terrorist Tony Bryant. Die moet hartelijk lachen met de manier waarop hij door FBI-verantwoordelijken ondervraagd werd nadat zijn boot geladen met explosieven in de buurt van Havana opgedoken was. Volgens Bryant in genoemde krant beloofde hij het nooit meer te zullen doen en ze lieten hem gaan. Wat kan Cuba doen als terroristen als Virgilio Paz en José Dionisio Suárez die Orlando Letelier en Ronnie Moffit in de hoofdstad van dit land met een bom in de lucht lieten vliegen en daarop op de vlucht gingen voor justitie, slechts 7 jaren van hun straf uitzitten en terug op vrije voeten zijn dankzij de tussenkomst van de CANF die hun advocaten betaalt? Ik weet van Reentry-zaken die zwaardere straffen kregen dan deze. De eerste woorden van een van die heerschappen aan de pers, waren gericht aan de CANF, aan Armando Pérez Roura en aan de WAQI om hen te danken voor de inspanningen die ze leverden om hem vrij te krijgen. En opnieuw in hetzelfde programma en met dezelfde commentator als waar de FBI-agenten Berlingueri en Pesquera waren. De realiteit is dat Cuba geen ander alternatief heeft dan hier mensen te hebben die uit liefde voor hun vaderland en niet voor het geld hun land op de hoogte houden van terroristische plannen en het zo in staat stellen ze te voorkomen als dat enigszins mogelijk is. Dat is de reden waarom ik hier ben. Zolang de toestand blijft zoals ik hem beschreven heb, heeft Cuba het morele recht zich te verdedigen op de manier waarop mijn kameraden en ik dat gedaan hebben. Edelachtbare: Op 11 september laatstleden waren we allen getuigen van een criminele en afschuwelijke daad. Een weerzinwekkende daad die het grootste deel van de wereldbevolking, die de gebeurtenissen via televisie kon volgen, met verbijstering sloeg. De terroristische daden die jarenlang tegen Cuba begaan zijn, werden door geen enkele van die zenders uitgezonden. Sta me toe te vermelden dat ook op een 11de september, maar dan in 1980, Félix Garcia, een Cubaans diplomaat geaccrediteerd bij de Verenigde Naties, vermoord werd in New York City door een van de terroristen die vandaag samen met Posada Carilles in Panama gevangen zitten. Als gevolg van de terroristische daden tegen New York en Washington groeide het bewustzijn van de wereld over de noodzaak het terrorisme uit te roeien. Enkel uren, of zelfs amper enkele minuten na de gebeurtenissen, legden alle analisten en functionarissen van hoog niveau van de regering van dit land verklaringen af. Ze gaven informatie en maakten hun mening kenbaar via de verschillende media. Allen legden de nadruk op de noodzaak het inlichtingenwerk te verbeteren en de infiltratie op te drijven in groepen die dergelijke daden voorbereiden en tegen diegenen die hen daarin steunen en hen een toevluchtsoord bieden. Ik ben er van overtuigd dat de Verenigde Staten fier zouden geweest zijn op hun zonen moesten die de kans en het privilege gehad hebben daden als die van de voorbije septembermaand te voorkomen. Ze zouden er hun volk en de mensheid een grote dienst mee bewezen hebben. Op 20 september 2001, zei president Bush in zijn toespraak tot de voltallige vergadering van het Congres van de Natie: “Vanavond zijn we een land dat ontwaakte als een land in gevaar en dat geroepen is zijn vrijheid te verdedigen.” Edelachtbare: Mijn land en mijn volk is al 40 jaar lang verplicht wakker te worden met gevaar en zijn vrijheid te verdedigen. Ik ben er fier op een van hen geweest te zijn die mijn volk behoedt heeft voor die gevaren. Diezelfde avond zie president Bush verderop in zijn toespraak: “…Wij zullen ons verenigen om onze inlichtingendiensten te versterken om zo de plannen van de terroristen te weten te komen voor ze tot actie kunnen overgaan, en ze tegen te houden voor ze kunnen aanvallen.” Cuba dat al 42 jaar slachtoffer is van terroristische aanvallen, heeft ook het recht zich op die manier te verdedigen. Vandaag verenigd de Amerikaanse natie zich in de strijd tegen het terrorisme, iets wat voor mijn land al jarenlang een noodzaak en realiteit is. Er kan geen dubbele standaard zijn. Het terrorisme moet even hard bestreden en uitgeschakeld worden of het zich nu richt tegen een groot en machtig land of tegen kleine landen. Er is geen goed en slecht terrorisme. In het rapport over Orlando Bosch, voorgesteld in 1989 door de heer Joe D. Whitley, onderstaatssecretaris van Justitie, die door zijn administratieve positie minder te maken had met politieke druk of met de verplichtingen van de buitenlandse politiek, zei die functionaris: “De Verenigde Staten kunnen niet toestaan dat de inherente onmenselijkheid van het terrorisme gebruikt wordt om geschillen te regelen. Verzoeningsgezindheid jegens hen die geweld willen gebruiken zal enkel meer terroristen kweken. We moeten het terrorisme zien als een universeel euvel, ook al is het gericht tegen diegenen waarvoor we geen politieke sympathieën koesteren.” Edelachtbare: Vandaag gaat u deze fase van ons proces afsluiten en het vonnis uitspreken dat u gepast acht. Tot slot, wil ik nogmaals herhalen dat ik de nationale veiligheid van de Verenigde Staten nooit in het gedrang heb gebracht, en dat dat ook nooit mijn intentie was noch die van mijn kameraden. Wat ik gedaan heb werd ingegeven door liefde voor mijn vaderland en door de overtuiging dat de geschiedenis ons aantoont dat het de enig mogelijke optie is voor het Cubaanse volk wil het de dood van onschuldigen vermijden en de verwoestingen die het gevolg zijn van die de terroristische acties tegen mijn land. De regering van de Verenigde Staten heeft het in handen om een einde te stellen aan die daden. Cuba heeft zijn bereidheid om met de Amerikaanse autoriteiten samen te werken in die aangelegenheid en op andere terreinen zoals de drugsmokkel aangetoond. En dat iets wat in het grootste belang van beide volkeren is en dat wel gevolgen heeft voor de nationale veiligheid van de Verenigde Staten. Het zijn de autoriteiten van dit land die de beslissing moeten nemen in actie te komen op basis van principes en zich los te maken van de gevaarlijke invloed van een kleine, maar economisch machtige groep van maffiosi en uiterst rechtse elementen uit de Cubaanse gemeenschap van Miami. Ik vertrouw er eerlijk op dat er een dag zal komen waarop Cuba niet meer verplicht zal zijn mensen als ik, vrijwilligers die handelen uit liefde voor hun land en volk, naar dit land te sturen om het terrorisme te bestrijden. Ieder mens die zichzelf respecteert is op de eerste plaats verantwoording verschuldigd aan zijn vaderland. Tijdens de jaren die ik in de gevangenis zal doorbrengen zal de waardigheid die ik van mijn volk en zijn geschiedenis leerde steeds mijn gezel zijn. Ik dank u. Fernando González Llort |