print versie

Naar een dooi in de relaties EU – Cuba?

Xavier Declercq, Directeur Mobilisatie Oxfam-Solidariteit
30 april 2008

Na vijf jaar diplomatieke windstilte lijken de relaties tussen Cuba en de Europese Unie (EU) te ontdooien. Verandert de EU haar strategie vervat in de Gemeenschappelijke Houding van december 1996? Welke factoren liggen ten grondslag van een eventuele wijziging? Zal Europa Cuba in de toekomst niet meer met een dubbele standaard behandelen? Kunnen ngo's en andere actoren morgen opnieuw met EU-fondsen aan de slag in Cuba?

2003, de relaties tussen de EU en Cuba naar een dieptepunt

Maart 2003. De Cubaanse autoriteiten veroordelen 75 personen tot relatief lange gevangenisstraffen omdat ze in samenwerking met de officiële vertegenwoordiging van de VS in Cuba probeerden het land te destabiliseren. De 75 zijn onafhankelijke journalisten voor de enen, vakbondsmilitanten of mensen op zoek naar het prestige van ‘dissidenten' voor nog anderen. Wat er ook van zij, de informatie die tijdens de processen vrijkwam, wees er inderdaad op dat de groep nauwe contacten had en samenwerkte met de VS-vertegenwoordiging in Havana.

De onderliggende oorzaak van de veroordelingen die minder in de publieke aandacht kwam, was het feit dat de VS sinds enige maanden de uitvoering van de migratieakkoorden met Cuba hadden stopgezet. Dankzij die akkoorden konden tot dan jaarlijks 20.000 Cubanen legaal naar de VS migreren. Door deze akkoorden niet meer uit te voeren, steeg de druk op Cuba. 2003 was ook het jaar waarin hooggeplaatste medewerkers van VS-president George W. Bush verklaringen aflegden waarin ze stelden dat in Cuba biologische wapens werden aangemaakt, en dat het land na Irak ‘aan de beurt' zou komen. In een dergelijke sfeer besloten de Cubaanse autoriteiten een sterk signaal te geven: medewerking aan de plannen van de VS om het regime te destabiliseren, zouden niet getolereerd worden.

In de Europese Raad van juni 2003 reageerde de EU op de strenge veroordeling van de 75. Er werden sancties ingesteld: er mochten geen hooggeplaatste gezagvoerders meer naar Cuba afreizen, de culturele contacten werden bevroren, ontwikkelingsprojecten werden stopgezet. De meest opzienbarende maatregel betrof het uitnodigen van Cubaanse ‘dissidenten' op de jaarlijkse recepties die de lidstaten ter gelegenheid van hun nationale feestdag organiseren. De Cubaanse autoriteiten vonden vooral deze laatste maatregel een teken van een groot gebrek aan respect en konden niet bepaald lachen met dergelijke provocatieve stappen die hun voorgaande niet kennen in de diplomatieke cultuur.

De relaties werden gaandeweg meer gespannen: de Cubaanse autoriteiten weigerden nog diepgaande relaties te onderhouden met de EU-landen die effectief de dissidenten uitnodigden. België heeft dat steeds geweigerd, en dat heeft de respectvolle en transparante relatie die we reeds hadden, verder geconsolideerd. Ontwikkelingsprojecten werden stopgezet en de politieke dialoog was verder af dan ooit. De controverse werd ook op het publiek toneel uitgevochten, waarbij de ongezouten uitspraken over en weer gingen.

Het officiële Europese beleid

De EU heeft sinds 1996 een officieel verwoord beleid ten aanzien van Cuba, vervat in de Gemeenschappelijke Houding. Deze houding werd geformuleerd onder druk van de toenmalige Spaanse eerste minister José Maria Aznar, die na zijn verkiezingsoverwinning in 1996 aankondigde dat hij het EU-beleid meer in lijn zou brengen met dat van de VS. Samengevat komt het EU-beleid op het volgende neer: in het verlengde van de doelstellingen van de VS, wil de EU in Cuba meer respect voor mensenrechten en democratie bewerkstelligen. In tegenstelling tot de VS wil Europa deze doelstelling bereiken door een politiek van ‘stok en wortel', niet door confrontatie en geweld (De VS verstrengt de blokkade van Cuba steeds meer, een strategie die er van uitgaat dat door de toenemende druk op het land en door de schaarste aan allerlei basisproducten de kookpan zal ontploffen en een gewelddadige revolutie zal uitbarsten).

In de praktijk betekende dit dat Europa een ‘voorwaardelijk beleid' ten uitvoering bracht, waarbij ze eerst hervormingen eiste om daarna eventueel een doorgedreven politieke en economische samenwerking op te zetten. De Cubaanse autoriteiten weigerden op deze chantage in te gaan en beriepen zich op het principe van niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden en de behandeling met een dubbele standaard door de EU.

Het feit dat de EU sinds 1996 geen enkele stap zette om een van de VS onafhankelijke positie in te nemen in de politieke dossiers die op de tafel lagen (Het niet-aanvechten van de illegale Helms-Burtonwetgeving en de onderwerping aan deze extraterritoriale wet via het akkoord van Birmingham; de jaarlijkse veroordelingen in de VN-Mensenrechtencommissie die Cuba stelselmatig op een zwarte lijst van ‘schenders' zet; het feit dat Cuba niet werd toegelaten tot de ondertekening van de Conventie van Cotonou; de pogingen van de Commissie in 2000 om Europese ngo's in te schakelen in een subversieve strategie die de Cubaanse maatschappij “van binnen uit” zou “veranderen”) voedde de Cubaanse analyse dat de EU vooral uitblonk in het uitdrukken van intenties, veel minder in daden en in het nastreven van een van de VS onafhankelijke buitenlandse politiek. Welke interpretatie men er ook aan geeft, de EU-lidstaten geven off the record unaniem toe dat de Gemeenschappelijke Houding faalde en dat er een andere houding moet aangenomen worden, willen ze enige invloed verwerven in Cuba.

Naar een dooi in de relaties?

Het is vooral deze analyse die verschillende lidstaten ertoe aanzet om de inspanningen van de Spaanse regering onder leiding van José Luis Rodriguez Zapatero en Louis Michel, EU-commissaris voor Noord-Zuidbetrekkingen, momenteel te gedogen. Ook de verkiezingen in de VS en het ongeloofwaardige en uitgebluste presidentschap van George W. Bush spelen ongetwijfeld mee. VS-minister voor Buitenlandse Zaken Condoleeza Rice mag dan haar Europese partners regelmatig telefonisch onder druk zetten, voorlopig heeft dit weinig effect bij de meeste EU-lidstaten.

De sancties die de EU in juni 2003 instelde na de veroordeling van de 75, werden tijdelijk opgeschort in januari 2005. Jaarlijks beslist de Europese Raad of de sancties opgeschort blijven of dat ze opnieuw effectief worden. Dit zwaard van Damocles zorgt ervoor dat een echte dialoog met Cuba onmogelijk blijft. Vragen van de EU om te onderhandelingen op gelijke voet maar tegelijk de dreiging van sancties behouden, getuigt niet van een coherente houding van de EU. Deze situatie maakt ook de ontwikkelingssamenwerking verder onmogelijk. Daarom vragen de Europese ontwikkelingsorganisaties dan ook de opheffing van de sancties.

Vorig jaar ontmoette Louis Michel de Cubaanse minister van Buitenlandse Zaken Felipe Perez Roque in New York, naar aanleiding van de Algemene Vergadering van de VN. Daar werd afgesproken een nieuwe poging te doen om de EU-lidstaten te overtuigen van de opheffing van de sancties. In september van vorig jaar organiseerde Oxfam-Solidariteit in samenwerking met de Europese ngo's die in Cuba werken een hoorzitting in het Europese Parlement. De conclusie was dat de EU door haar sanctiebeleid kansen mist om aan de realisatie van de Millenniumdoelstellingen bij te dragen. Niet enkel in Cuba, maar in heel Latijns-Amerika.

De Socialistische fractie en Verenigd Links in het Europese Parlement stuurden in februari en maart 2008 een missie naar Havana, en zijn beide voorstander van het opheffen van de sancties. Louis Michel ging begin maart na de Cubaanse presidentsverkiezingen als eerste hooggeplaatste gezagdrager naar Havana, en verklaarde dat de tijd rijp was voor de EU om de sancties op te heffen. Dit tegen de zin van de VS die niet nalieten om onmiddellijk de Europese bewindsvoerders onder druk te zetten om de sancties niet op te heffen. Op de EU-Latijnse top in Lima, komende 16 en 17 mei, zal mogelijk de volgende stap gezet worden. Naar alle verwachting zal de EU ook daar voorstellen om tot een normalisering van de betrekkingen met Cuba te komen via het afschaffen van de sancties. De formele beslissing moet echter genomen worden op de Europese Raad van ministers van Buitenlandse Zaken op 19 en 20 juni 2008.

In haar communicatie naar het grote publiek noemde de EU het feit dat Cuba in februari het Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten en het Verdrag inzake Economische en Sociale en Culturele Rechten - beiden uit 1966 – ratificeerde, een positieve stap voorwaarts die haar mede motiveerde om deze nieuwe richting in de wederzijdse relaties uit te gaan.

Kan de EU een beleid voeren onafhankelijk van de VS?

Het is een positief gegeven dat de EU momenteel initiatieven neemt die een genormaliseerde relatie met Cuba nastreven. Het is echter niet de eerste keer dat dergelijke pogingen worden ondernemen. Toen Cuba begin 2000 akkoord ging met de inhoud van de besprekingen die uiteindelijk leidden de Cotonouconventie, was het de bedoeling om Cuba via haar participatie binnen de ACP-groep te integreren in de internationale politieke scène. Verschillende EU-landen zijn toen echter onder de druk van de VS bezweken en lieten weten dat ze hun veto zouden stellen daartegen. Maar de kaarten liggen inderdaad iets beter vandaag. De oppositie tegen genormaliseerde relaties ligt voornamelijk in Tsjechië en in het Verenigd Koninkrijk. De verkiezing van Silvio Berlusconi als premier zal de normalisering niet makkelijker maken. Het is ook afwachten ook wat de Italiaanse politieke situatie zal opleveren. Maar we zullen pas op de Europese Raad van juni weten of de EU-lidstaten deze keer niet overstag zullen gaan onder de druk van VS.

Het afschaffen van de sancties tegen Cuba zou niet alleen de politieke relatie tussen Cuba en de EU ten goede komen. Door de ontwikkelingssamenwerking opnieuw leven in te blazen zouden sociale organisaties in Cuba en de EU opnieuw sterkere relaties kunnen uitbouwen. Ook deze relatie komt de Cubaanse bevolking ten goede.

Ook in Latijns-Amerika zou de EU aan prestige kunnen winnen. Op iedere vergadering tussen de Europese en Latijns-Amerikaanse staatshoofden vragen deze laatsten aan Europa om de sancties tegen Cuba op te heffen. Dat zou een eerste stap kunnen zijn naar een grotere erkenning van de EU op het continent. De interesse van de EU voor Latijns-Amerika ligt voornamelijk op het economische en commerciële vlak. Misschien kan het vernieuwde Cubabeleid haar wat meer geloofwaardigheid opleveren? Maar dan zou de EU zich vooral moeten toeleggen op het formuleren van alternatieven voor de vrijhandelsbesprekingen die ze momenteel voert met verschillende Latijns-Amerikaanse regio's. De formulering van dergelijke alternatieven moet volgens ons gekarakteriseerd worden door een minder commercieel agressieve houding van de EU. Op lange termijn zal het de EU misschien meer opleveren om respect aan de dag te leggen voor de economische integratie waaraan vandaag wordt gewerkt door de Latijns-Amerikaanse landen onderling…

bron: http://www.oxfamsol.be

omhoog