|
De voedselveiligheid op Cuba Zo'n 15 jaar geleden maakten de voormalige Oostbloklanden één voor één de overstap naar het kapitalisme. Door het Westen werden ze onder druk gezet om hun handel met Cuba op te schorten. Dat was o.a. een voorwaarde om aan verse leningen te geraken bij het IMF. De meeste landen staakten inderdaad hun handel met het tropische eiland. Bovendien verscherpten de VS hun economische blokkade. De gevolgen waren dramatisch. Op enkele maanden tijd schrompelde de handel ineen. Tijd om zich daar op voor te bereiden of aan te passen was er niet. De situatie was vooral pijnlijk en urgent op het vlak van de landbouw en de voedselbevoorrading. Cuba was voor essentiële voedingsproducten zoals granen, vetten, melk en bonen voor meer dan 90% aangewezen op de import. Ongeveer 57% van de proteïnen en meer dan 50% van de calorieën die werden verbruikt door de bevolking, werden tot dan toe ingevoerd. Voor pesticiden en meststoffen overschreed die afhankelijkheid eveneens de 90%. In 1993 was de situatie dramatisch. De invoer van voedsel was in vergelijking met 1989, verminderd met liefst 65%. Voor meststoffen en pesticiden was dat respectievelijk 77% en 60%.[1] Het dagelijks caloriegebruik was gedaald tot 1863 cal per dag en 46 gr. proteïnen, ver onder wat de Wereld Voedsel- en landbouworganisatie (FAO) beschouwt als minimaal: resp. 2.400 cal en 72 gr. proteïnen.[2] Om het tij te doen keren, werkte de Cubaanse overheid een batterij aan maatregelen uit. De landbouw werd grondig hervormd. Grote staatsbedrijven werden opgedeeld in kleinere eenheden en omgevormd tot coöperatieven. In de staatsbedrijven werd het management gewijzigd met het oog op hogere productiviteit. Het loon van de landarbeider werd gekoppeld aan de winst van het bedrijf. Coöperatieven, staatsbedrijven en individuele boeren konden hun surplusproductie aanbieden op landbouwmarkten, waar de prijzen vrij hoog liggen. In bergachtige streken en waar tabak wordt verbouwd, werd aan families grond geschonken in vruchtgebruik om voedsel te verbouwen. In de steden werden bewoners, maar ook bedrijven en scholen aangemoedigd om moestuinen aan te leggen. Om het gebrek aan pesticiden en meststoffen te compenseren werd overgeschakeld op biologische landbouw. Nieuwe technologieën werden uitgeprobeerd om het rendement te verhogen. Tenslotte werden in een aantal voedselsectoren joint ventures aangemoedigd, bijvoorbeeld in de veeteelt en de citrusproductie. Ondertussen stelde de Cubaanse overheid alles in het werk om zo snel mogelijk aan de nodige dollars te geraken om het tekort aan eigen voedselproductie aan te vullen met invoer uit het buitenland. Het toerisme werd versneld uitgebouwd. Het dollarbezit werd gelegaliseerd en via wisselkantoortjes en dollarwinkels werden heel wat dollars 'gerecycleerd'. De productie voor de export, o.a. op het vlak van geneesmiddelen, biotechnologie en nikkel werden verhoogd. De resultaten bleven niet uit, ook al lieten ze even op zich wachten. De landbouwproductie ging sterk vooruit en de voedselbevoorrading werd opnieuw verzekerd. Zeker, het dagelijkse menu van de gemiddelde Cubaan is er in vergelijking met de jaren tachtig sterk op achteruit gegaan. Het zo gegeerde vlees en andere producten blijven nog altijd schaars en voor veel Cubanen is er nog steeds te weinig variatie. Maar het problematisch karakter van de voedselveiligheid is definitief achter de rug. Vandaag beschikt de gemiddeld Cubaan over 3000 cal, een vierde meer dan wat nodig is.[3] Voor proteïnen is de situatie gelijkaardig. Halverwege de jaren negentig was de situatie op het vlak ondervoeding slechter dan het gemiddelde van Latijns-Amerika. Vandaag zit Cuba aan de kop van het peleton en dat zelfs in vergelijking met de rest van alle derdewereldlanden. Volgens het laatste rapport van de FAO zijn 3% van de Cubanen ondervoed. Enkel Argentinië doet het beter met 1,6%. Het gemiddelde in Latijns-Amerika is 10%.[4] Richten we de focus op de situatie van de kinderen, dan wordt Cuba in het Zuiden enkel vooraf gegaan door de Verenigde Arabische Republiek en laat het zelfs landen als Zuid-Korea en Turkije achter zich.[5] Ter vergelijking, in Centraal-Amerika, waar de VS 'de democratie heeft hersteld' en waar van blokkade geen sprake is, is het aantal ondervoedde mensen de laatste tien jaar toegenomen met 48%: van 5 miljoen naar 7,4 miljoen.[6] De Cubaanse situatie steekt ook schril af tegenover die van de voormalige Oostbloklanden, de zogenaamde transitielanden. Vóór 1989 was er nauwelijks ondervoeding, vandaag, 15 jaar na de overstap naar het kapitalisme lijden zo'n 28 miljoen mensen er honger. Nog jaarlijks stijgt dat aantal met 700.000.[7]
|