Bedenkingen van Fidel Castro

Zelfkritiek van Cuba

De Nationale Directie van de Unie van Jonge Communisten (UJC) is bij het afsluiten van haar strategie overeengekomen om de volgende maatregel mee te delen: “Vorige zaterdag 7 juli besliste het Nationaal Bureau van de Communistische Jeugd om het plan voor de mobilisatie van de Studentenbrigades voor Werk (BET) aan te passen in functie van het principe dat studenten zullen worden ingeschakeld voor sociale en recreatieve taken volgens het strikt noodzakelijk minimum en in de gemeenten waar ze verblijven, dit om transport te vermijden.”

“Deze beslissing werd de dag zelf besproken met het Algemeen Nationaal Bestuur van de BET, samengesteld door de studentenorganisaties en de organismen van het Centraal Bestuur van de Staat en ook met de directies van de Communistische Jeugd in alle provincies.”

“Het accent werd gelegd op een meer rationeel gebruik van de gemobiliseerde groepen, de besparing van materiële middelen, voornamelijk benzine, en op het doel dat de studenten hun tijd zouden besteden aan het verstevigen van hun kennis, het aannemen van leesgewoonten en het debatteren over heel belangrijke onderwerpen.”

“Als resultaat van de genomen beslissingen, zullen in juli en augustus slechts 200 000 studenten gemobiliseerd worden, in plaats van de eerder geplande 600 000. Mobilisaties naar landbouwakkers of scholen op het platteland waarvoor het gebruik van transport of andere logistieke ondersteuning is vereist, zullen niet doorgaan.”

“Dit jaar zal men enkel 7 dagen worden opgeroepen voor taken in verband met de Energetische Revolutie, alsook voor sociaal werk, zoals het opleiden van de gemeenschap om betere besparingsgewoonten aan te nemen, het bezorgen van elektrische toestellen die nog moeten verdeeld worden, en het bezoek aan een aantal families die na de ontvangst en het akkoord om te betalen, dit laatste nog niet deden.”

“Ze zullen ook ingezet worden in de strijd tegen ziekteoverdragers, om te vermijden dat dengue opnieuw opduikt en in de eerste- en tweedelijnszorg in de poliklinieken en hospitalen.”

“De promotie van culturele, recreatieve en sportieve activiteiten in de gemeenten, zal ook een taak zijn van de deelnemers aan de Studentenbrigades voor Werk.”

“De UJC zal de gemobiliseerde jongeren en de overige jeugd aansporen tot studeren en debatteren.”

Ik kan niet anders dan de Nationale Directie van de UJC feliciteren en ook de verantwoordelijken van de Afdelingen Organisatie en Ideologie van de Partij, die hierover werden geraadpleegd en die zonder aarzelen deze maatregel goedkeurden.

Fysieke arbeid op zich maakt mensen niet bewust. Elke werknemer is anders. Zijn temperament, zijn lichaam, zijn zenuwen, het soort werk dat hij doet, hoe zwaar het werk is, de omstandigheden waarin hij werkt – in de brandende zon of in een kantoor met airco – of hij per stuk werkt of voor een maandloon, of hij gedisciplineerd is of niet, of hij over al zijn geestelijke vermogens beschikt of te kampen heeft met een of ander gebrek, de scholen waar hij studeerde, de leerkrachten die hij had, of de te leveren arbeid professioneel is of niet, of hij afkomstig is van het platteland of van de stad. Iets heel belangrijks: of hij goederen of allerlei diensten behandelt of verdeelt, wie zijn oversten zijn, welk imago ze uitstralen, hoe ze spreken, hoe ze naar de dingen kijken. Ik zou bladzijden kunnen vullen over de individuele kenmerken van elke werknemer. Daarom is kennis hetgeen onze burgers het meest nodig hebben, als we hen bewust willen maken.

Het martiaans voorschrift over het belang van de band tussen studie en arbeid voor de vorming van de mens, maakte dat we in het verleden de universiteitsstudenten en de leerlingen van het hoger middelbaar onderwijs aanspoorden om fysieke arbeid te leveren. In de eerste plaats was het een onontkoombare noodzaak. We moesten de leegte opvullen die was ontstaan doordat de suikerrietkappers heel vlug naar andere werkgelegenheden trokken. Het gemiddelde opleidingsniveau was zeer laag, zelfs na de alfabetiseringscampagne en de grote bloei van de lagere scholen en later het lager middelbaar onderwijs. Onze jeugd begreep dit en leverde gedisciplineerd en enthousiast forse inspanningen.

Vandaag is een grote massa hoog opgeleid: we begonnen met geneeskunde en pedagogie, gevolgd door sociaal werk en informatica, verder ook met kunstacademies en de veralgemenisering van universitaire studies voor een groot aantal opleidingen. We moeten de hersencellen doen werken als we de mensen bewust willen maken, hetgeen zo nodig is in de huidige complexe wereld.

Het opzet om een of twee weken te leren – wat dit jaar slechts 7 dagen zal zijn – met aangepast materiaal, zal de voldoening geven van een goed bestede tijd en het bewustzijn creëren dat onze samenleving zo hard nodig heeft.

Heel het jaar door moeten we geïnformeerd blijven over de essentiële zaken en de details over wat er in Cuba en in de wereld gebeurt.

Specifiek op economisch vlak, denk ik dat bijna alle burgers overal ter wereld niet op de hoogte zijn.
Het is absoluut noodzakelijk dat men weet waarom de olieprijs stijgt, die vorige maandag een koers haalde van 77 dollar per barrel; dat men weet waarom de voedselprijzen stijgen, zoals tarwe en andere granen, die omwille van het klimaat moeten worden ingevoerd; dat men weet of de oorzaak van de stijging permanent is of te maken heeft met de conjunctuur.

Niet alle werknemers krijgen premies in convertibele munt, een praktijk die gedurende de speciale periode in een groot aantal bedrijven werd veralgemeend, in vele gevallen zonder dat aan de minimumvoorwaarden werd voldaan. Niet alle burgers krijgen geld vanuit het buitenland, iets wat niet illegaal is, maar soms wel ongelijkheid en vervelende privileges creëert in een land dat zich uitslooft om aan haar gehele bevolking de vitale voorzieningen gratis te leveren. Ik spreek niet over de smeuïge winsten die men maakt door het geld clandestien te transporteren en ook niet over hoe men ons bedriegt door dollars om te zetten in andere munten om de maatregelen tegenover de dollar te omzeilen.

De reële en zichtbare ongelijkheid en het gebrek aan relevante informatie noopt ons tot kritische overwegingen, vooral over de meest behoeftige sectoren.

Het is zo dat de mensen die in Cuba op een af andere manier convertibele munten verkrijgen – hoewel het gaat om beperkte bedragen – of de mensen die geld uit het buitenland ontvangen, tegelijkertijd gratis essentiële sociale diensten krijgen, voedsel, medicijnen en andere goederen aan lage en gesubsidieerde prijzen. Toch blijven we strikt onze financiële verplichtingen nakomen, precies omdat we geen consumptiemaatschappij zijn. We hebben ernstige, dappere en plichtsbewuste leiders nodig.

Zij die hier en daar olie verspillen met ons huidig autopark van alle types; zij die vergeten dat de voedselprijzen standvastig stijgen en dat de ruwe materialen voor de landbouw en de industrie – waarvan veel producten aan gesubsidieerde prijzen worden verdeeld – worden aangekocht aan de marktprijzen; zij die vergeten dat ons land de heilige plicht heeft om te vechten tot de laatste druppel bloed en dat we materiaal moeten kopen om ons te verdedigen tegen een vijand die constant de wacht houdt, kunnen de onafhankelijkheid en het voortbestaan van Cuba in gevaar brengen. Hiermee speelt men niet!

Enkele dagen geleden rezen mijn haren ten berge toen een hoogstaande ambtenaar op de televisie verkondigde dat we, nu de speciale periode beëindigd is, jaarlijks steeds meer delegaties kunnen sturen naar activiteiten van allerlei slag.

Vanwaar kwam deze vreemde snuiter?, vroeg ik me af. Misschien was hij een geschenk van Sancho Panza van op zijn eiland Barataria.

In Cuba is de speciale periode verminderd, maar de wereld is in een heel speciale periode beland en het valt nog te bezien hoe ze hier zal kunnen uit geraken. We verspillen duizenden miljoenen dollars aan brandstoffen. Niet alleen als beroepsverspillers – wat een natuurlijke tendens is – maar ook doordat we dringend de tienduizenden oude sovjetmotoren, stammend uit een periode van overvloed aan olie, moeten vervangen door Chinese motoren die heel zuinig zijn en redelijke betalingsvoorwaarden hebben. Dit programma heeft vertraging opgelopen.

In de wereldeconomie stijgen de prijzen voor metaal en voor olie tot boven historische hoogten, maar ze dalen ook plots.

Toch kan de nood aan olie voor persoonlijk en publiek transport en voor landbouwmachines en bouwwerken niet op korte termijn opgelost worden. In de ontwikkelde landen is alles geautomatiseerd. Mensen die op reis gaan, vertellen hoe ze het ene gebouw na het andere zien verrijzen, van allerlei types, en dat men dag en nacht verder bouwt. Steden worden gigantisch groot. Steeds meer mensen hebben drinkbaar water nodig, groenten, fruit en eiwitrijke voeding, dat door anderen moet worden geproduceerd en aangevoerd, vaak van op grote afstanden. Bovendien zijn er wegen nodig met in elke richting drie of vier rijvakken, bruggen en dure technische bouwwerken. Bij het minste incident, bijvoorbeeld een zijdelings contact tussen twee voertuigen, staat alles stil. Elke dag wordt de publieke kost groter en de hulp voor ontwikkeling kleiner.

Het ergste is dat er voor elke duizend personen meer dan 500 auto’s zijn. In de Verenigde Staten bijna duizend. Mensen wonen op grote afstand van hun werk. Elk heeft zijn eigen garage. Elke werkplaats haar eigen parking. Er zijn niet genoeg olieraffinaderijen. Ze moeten worden uitgebreid en bovendien moeten er nieuwe installaties gebouwd worden. Olie is de ruwe grondstof voor een raffinaderij. Hoe zwaarder de olie, hoe meer er nodig is en er worden al sinds lange tijd geen grote bronnen van lichte olie gevonden. Een staking in Nigeria, de oorlog in Irak, de bedreigingen tegenover Iran, de oude politieke conflicten in Europa, een zeebeving, een orkaan, alle doen ze de prijzen omhoogschieten. De oude en nieuwe superconsumenten vragen steeds meerdere miljoenen barrels per dag. Natuurlijk groeien tegelijkertijd de plannen om nieuwe kerncentrales te bouwen. Ik spreek nu niet over de effecten of gevaren op vlak van het milieu en het klimaat, maar over de onzekerheden die ze ontketenen op de basiseconomie.

Nadat hij een berg goud had verspild bij de vernietiging van Vietnam, verving Nixon het goud door waardepapieren, zonder dat ook maar iemand zich bewust was van de gevolgen. De technologische ontwikkeling van de Verenigde Staten, hun productiecapaciteit voor industriële en landbouwkundige goederen en vooral hun enorme militaire macht waren van die aard dat de vervanging van goud door papier geen tragedie veroorzaakte. Er kwam een inflatie van meer dan 10 procent, maar ze was onder controle. Later kwam de herbewapening van de V.S., op het einde van de Koude Oorlog, betaald met papier en de overwinning van de consumptiemaatschappij, die de landen verblindde met haar orgie van schijnbaar welzijn. Met papier verkreeg het imperium een groot deel van de rijkdommen van de wereld, waar ze haar wetten oplegt met minachting van de soevereiniteit van de landen.

De dollar verloor geleidelijk aan haar waarde tot op 6 procent minder dan in de jaren 70. De experts zijn verbijsterd over dit nieuwe fenomeen. Niemand weet wat er gaat gebeuren.

Hebben we redenen om ons in deze onderwerpen te verdiepen, of niet?

Fidel Castro Ruz
10 juli 2007

Vertaling: Yola Ooms