Bedenkingen van Fidel Castro De wereldtirannie De fundamenten van de moordmachine De stichters van de Noord-Amerikaanse natie konden zich niet voorstellen dat hetgeen ze toen afkondigden, zoals bij alle landen in de geschiedenis, reeds de zaden bevatte van haar eigen omwenteling. In de aanlokkelijke Onafhankelijkheidsverklaring van 1776, die afgelopen woensdag haar 231ste verjaardag vierde, stond iets dat velen van ons op een of andere manier fascineerde: “Wij houden vast aan de evidentie dat alle mensen geboren worden als gelijken; dat de Schepper aan iedereen bepaalde onvervreemdbare rechten toekent, waaronder het recht op leven, op vrijheid en het najagen van geluk; dat, om deze rechten te verzekeren, vanuit de mensen regeringen worden gevormd die hun macht precies ontlenen aan de goedkeuring van degenen die geregeerd worden; dat om het even wanneer een regeringsvorm deze doelstellingen dreigt af te breken, het volk het recht heeft om haar te hervormen of omver te werpen en een nieuwe regering te vormen die steunt op de genoemde principes en die haar macht zo organiseert dat ze de beste garanties biedt voor de veiligheid en het geluk van de mensen.” Het was het resultaat van de invloed van de beste denkers en filosofen van een Europa dat gebukt ging onder het feodalisme, de privileges van de aristocratie en de absolute monarchieën. Jean-Jacques Rousseau schreef in zijn beroemd Sociaal Contract het volgende: “De sterkste is nooit sterk genoeg om altijd de baas te zijn, als hij de kracht niet in recht verandert en de gehoorzaamheid in plicht.” (...) “Kracht is een fysieke macht; ik zie niet in welke morele effecten ze zou kunnen hebben. Zwichten voor kracht is een daad uit noodzaak, niet uit vrije wil.” (...) “Afstand doen van vrijheid is afstand doen van het menszijn zelf, van de rechten van de Mensheid, alsook van haar plichten. Er is geen beloning mogelijk voor wie afstand doet van alles.” In de 13 onafhankelijk geworden kolonies bestonden er nog vormen van slavernij die even wreed waren als in de antieke culturen. Mannen en vrouwen werden verkocht op openbare markten. De nieuwe natie verrees met haar eigen godsdienst en cultuur. De taks op thee deed de vonk van de opstand overslaan. In die uitgestrekte landen duurde de slavernij nog bijna 100 jaar en twee eeuwen later droegen de nakomelingen er nog de gevolgen van. Er waren inheemse volkeren die de legitieme natuurlijke bewoners waren, er waren bossen, water, meren, kuddes van miljoenen bizons, natuurlijke soorten dieren en planten, overvloedig en gevarieerd voedsel. Toen kenden ze nog geen brandstoffen of de enorme energieverspilling van de huidige maatschappij. Als dezelfde principeverklaring zou zijn afgekondigd in de landen rond de Sahara, zou ze geen paradijs gecreëerd hebben voor Europese immigranten. Vandaag zouden we moeten spreken van immigranten uit de arme landen, die jaarlijks met miljoenen de grenzen van de V.S. oversteken of trachten dit te doen, op zoek naar werk. Ze hebben zelfs niet het recht op het ouderschap van hun kinderen die op Noord-Amerikaans grondgebied geboren worden. De Verklaring van Philadelphia werd opgesteld in een tijd toen er alleen kleine drukkerijen bestonden en toen het maanden duurde vooraleer een brief van het ene land in een ander aankwam. De weinigen die konden lezen en schrijven, konden het één voor één aan elkaar doorvertellen. Vandaag flitsen beelden, woorden en ideeën in fracties van een seconde op de geglobaliseerde planeet van de ene hoek naar de andere. In de geesten van de mensen ontstaan geconditioneerde reflexen. Men kan niet spreken van het recht op, maar van het misbruik van de vrijheid van meningsuiting en van de collectieve waanzin. Tegelijk kan eender wie, in vredestijd, met een eenvoudige elektronische uitrusting zijn ideeën overal ter wereld verspreiden zonder de toelating van een regering. Het zou een strijd om ideeën zijn, in ieder geval een massa waarheden tegenover een massa leugens. Waarheden hebben geen commerciële publiciteitscampagne nodig. Niemand zou de Verklaring van Philadelphia en het Sociaal Contract van Jean-Jaques Rousseau verwerpen. Beide documenten ondersteunen het recht om te strijden tegen de gevestigde wereldtirannie. Kunnen we de plunderende oorlogen en afslachtingen negeren die de arme volkeren, waartoe driekwart van de mensheid behoort, ondergaan? Neen! Ze zijn typisch voor de wereld van vandaag en voor een systeem dat zich anders niet kan handhaven. Tegen een enorme kost op politiek, economisch en wetenschappelijk vlak wordt de menselijke soort naar de rand van de afgrond geleid. Het is niet mijn bedoeling om de bedenkingen uit mijn vorige reflecties te herhalen. Vertrekkend vanuit eenvoudige feiten, wil ik de immense graad van hypocrisie en de totale afwezigheid van ethiek, die de van nature uit chaotische activiteiten van de regering van de V.S. kenmerken, blijven aantonen. In “De Moordmachine”, vorige zondag gepubliceerd, zei ik dat we door de onlangs vrijgegeven documenten van de CIA te weten kwamen dat een ambtenaar van de Cubaanse regering, die toegang had tot mijn kantoor, heeft geprobeerd om me te vergiftigen. Het ging om een persoon over wie ik informatie moest inwinnen, omdat ik toen niet over de nodige elementen beschikte om een oordeel te vormen. In feite excuseerde ik me als ik de gevoelens kwetste van de nakomelingen, ook al was de vernoemde persoon schuldig of niet. Daarna ging ik verder met het analyseren van andere belangrijke onderwerpen in de onthullingen van de CIA. Gedurende de eerste dagen van de Revolutie bezocht ik bijna dagelijks het pas opgerichte Nationaal Instituut van de Landbouwhervorming (INRA), gelegen op de plaats waar nu het Ministerie van de Gewapende Revolutionaire Troepen gehuisvest is. We konden het Paleis van de Revolutie nog niet in gebruik nemen, omdat zich daar toen het Paleis van Justitie bevond. De bouw ervan was het resultaat van voordelige transacties van het omvergeworpen regime. De voornaamste winst werd gehaald uit de opwaardering van de grond, waarvan duizenden mensen verjaagd waren. Vóór de staatsgreep van Batista verdedigde ik hen gedurende maanden gratis als pas afgestudeerd advocaat. Hetzelfde gebeurde met andere overdadige bouwwerken die in de meeste gevallen nog moesten afgewerkt worden. Op 4 maart 1960 hoorde ik vanuit de kantoren van het INRA de huiveringwekkende explosie van La Coubre en zag ik de donkere rookkolom die opsteeg uit de haven van Havanna. Ik dacht onmiddellijk aan de boot die geladen was met antipersoons- en antitankgranaten voor de FAL-geweren die we kochten in België, een land dat totaal niet verdacht werd van communisme. Ik ging direct naar beneden om naar de haven te gaan. Onderweg kon ik door het lawaai en de trillingen van het verkeer de tweede explosie niet horen. Meer dan 100 mensen kwamen om en tientallen werden verminkt. Bij de begrafenis van de slachtoffers ontstond spontaan de kreet ‘Patria o Muerte’. Het is geweten dat de CIA alles minutieus geprogrammeerd had vanaf de haven waar het schip geladen werd. Het schip had de havens van Le Havre, Hamburg en Antwerpen aangedaan. In de laatste, in België, werden de granaten aan boord gebracht. Bij de explosie stierven ook verschillende Franse bemanningsleden. Waarom werd er in naam van de vrijheid van informatie geen enkele document vrijgegeven dat ons zegt hoe de CIA nu al bijna een halve eeuw geleden het schip La Coubre deed ontploffen en de levering van Belgische wapens verhinderde, waarvan ze zelf op 14 juni 1960 toegaf dat het een heel belangrijke kwestie was voor de Verenigde Staten? Waarmee hield ik mij bezig gedurende de koortsachtige dagen vóór de aanval in Varkensbaai? De eerste grote zuivering in de bergen van Escambray vond plaats in de laatste maanden van 1960 en het begin van 1961. Meer dan duizend mannen namen eraan deel, bijna allemaal afkomstig uit de vroegere provincies La Habana en Las Villas. Een stroom van wapens werd aangevoerd met boten uit de USSR, die niet ontploften bij hun aankomst in de havens. Het had geen nut om te proberen ze elders te kopen en op die manier de voorwendsels van de V.S. te vermijden om Guatemala aan te vallen, hetgeen aan dat land op termijn zowel qua doden als vermiste personen meer dan honderdduizend levens kostte. In Tsjechoslovakije kochten we lichte wapens en luchtafweergeschut van 20 mm en met dubbele loop. Rechtstreeks uit de USSR kwamen 85 mm tanks, 100 mm gepantserde artillerie, 75 mm- antitankgeschut, mortieren, obussen en kanonnen van groot kaliber tot 122 mm alsook licht en zwaar luchtafweergeschut. Wij waren ons bewust van een dreigende aanval, maar we wisten niet wanneer en hoe die zou komen. Alle mogelijke toegangen werden verdedigd of bewaakt. De leiders waren ter plaatse: Raúl in Oriente, Almeida in het centrum en Che in Pinar del Río. Mijn commandopost was in de hoofdstad: een oud burgerhuis dat hiervoor was omgebouwd op de hoogste rechteroever van de Almendares, dichtbij het punt waar ze uitmondt in de zee. Het werd al dag op de 15de april van 1961, toen ik vroeg in de ochtend het nieuws kreeg uit Oriente dat er uit het zuiden van de V.S. een boot aankwam die voer onder leiding van Nino Díaz, met aan boord een groep contrarevolutionairen gekleed in olijfgroene uniformen zoals die van ons, klaar om aan wal te gaan in de omgeving van Baracoa. Het was een afleidingsmanoeuvre ver van de exacte plaats waar de hoofdaanval zou plaatsvinden en dit om de grootst mogelijke verwarring te scheppen. De boot lag al binnen het bereik van de antitankwapens en wachtte op de ontscheping die uiteindelijk niet zou doorgaan. Tegelijkertijd kregen we het bericht dat in de nacht van de 14de één van onze drie straaljagers, een opleidingsvliegtuig capabel voor de aanval, op zijn verkenningsvlucht boven het gebied van de mogelijke ontscheping was neergeschoten. Het was zonder twijfel een yankee-aanval vanaf de Basis van Guantanamo of een ander punt op zee of in de lucht. We hadden geen radars om de exacte plaats te bepalen. Op die manier stierf de uitstekende piloot Orestes Acosta. Vanuit de genoemde commandopost zag ik de B-26’s die haast rakelings over het land scheerden en enkele seconden later hoorde ik de eerste raketten die zonder waarschuwing werden afgevuurd op onze jonge artilleriesoldaten op de luchtmachtbasis van Ciudad Libertad, waar een groot aantal aan het trainen was. Het antwoord van die dappere mannen kwam haast onmiddellijk. Langs de andere kant koester ik niet de minste twijfel dat Juan Orta een verrader was. De relevante details over zijn leven en zijn gedrag bevinden zich waar ze moeten zijn: in de archieven van het Departement van de Staatsveiligheid, opgericht in de jaren onder het spervuur van de vijand. De meest politiek bewuste mannen kregen die taak toebedeeld. Orta had de giftige pillen gekregen die Giancana en Santos Trafficante hadden voorgesteld aan Maheu. Maheu’s gesprek met Roselli, die fungeerde als contact met de maffia, vond plaats op 14 september 1960, maanden vóór de verkiezing en de inauguratie van Kennedy. De verrader Orta had geen speciale verdiensten. We schreven elkaar toen we op zoek waren naar de steun van emigranten en ballingen in de Verenigde Staten. Hij werd geapprecieerd voor zijn schijnbare competentie en zijn dienstbare houding. Hiervoor had hij speciaal talent. Na de overwinning van de Revolutie had hij in een belangrijke periode veelvuldig toegang tot mij. Door de mogelijkheden die hij had, dachten ze dat hij het vergif in een frisdrank of een fruitsap zou kunnen doen. Hij had geld gekregen van de maffia waarmee hij moest proberen om de casino’s weer open te krijgen. Maar dit had er niets mee te maken. Wij hadden zelf die beslissing genomen. Urrutia’s bevel om ze te sluiten, dat eenzijdig en zonder raadpleging was gegeven, zorgde voor chaos en het protest van duizenden werknemers uit de toeristische en commerciële sector, op het moment dat er een hoge graad van werkloosheid was. Een tijd later werden de casino’s definitief gesloten door de Revolutie. Toen ze hem het vergif overhandigden, had Orta, in tegenstelling tot voordien, weinig kans om me te ontmoeten. Ik werd volledig opgeslokt door de activiteiten die ik hierboven vermeldde. Op 13 april 1961, twee dagen voor de aanval op onze luchtmachtbasis, vroeg Orta zonder iemand in te lichten over de plannen van de vijand, asiel aan in de Venezolaanse ambassade, die door Romulo Betancourt onvoorwaardelijk Washington diende. De vele asielzoekers daar kregen geen toegang om te vertrekken vooraleer de brutale gewapende aanvallen van de V.S. tegen Cuba verminderden. In Mexico hadden we al moeten vechten tegen het verraad van Rafael del Pino Siero, die enkele dagen voor ons vertrek naar Cuba, een datum die hij niet wist, deserteerde. Voor 30 000 dollar verkocht hij belangrijke geheimen aan Batista, die te maken hadden met een deel van onze wapens en de boot die ons naar Cuba zou voeren. Met uiterste sluwheid verdeelde hij de informatie om het vertrouwen te winnen en de uitvoering van elk onderdeel te garanderen. Eerst zou hij enkele duizenden dollars krijgen voor het verraden van twee wapenopslagplaatsen die hij kende. Een week later zou hij het belangrijkste vertellen: de boot die ons naar Cuba zou brengen en de plaats van afvaart. Ze zouden ons allemaal kunnen gevangennemen samen met de overige wapens, maar eerst moesten ze hem al het geld geven. Hij heeft zeker de raad van een yankee-expert gevolgd. Ondanks het verraad vertrokken we op de voorziene datum met de “Granma” uit Mexico. Sommige mensen die ons steunden dachten dat Pino ons nooit zou verraden, dat hij enkel was gedeserteerd omdat de discipline en de vereiste training hem niet lag. Ik ga niet vertellen hoe ik op de hoogte was van zijn afspraken met Batista, maar ik wist er alles van en wij namen de nodige voorzorgen om het personeel en de wapens te beschermen op het transport naar Tuxpan, de vertrekplaats. Die waardevolle informatie kostte me geen cent. Tijdens het laatste offensief van de tirannie in de Sierra Maestra moesten we ook vechten tegen de vermetele trucs van Evaristo Venereo, een agent van het regime die, vermomd als een revolutionair, trachtte te infiltreren in Mexico. Hij was de link met de geheime politie van dat land, een heel repressief apparaat. Hij gaf advies bij de ondervraging van Cándido González, die hierbij geblinddoekt werd. González was een van de kameraden die de auto bestuurde waarmee ik ginder mijn verplaatsingen deed, een heroïsche militant die na de ontscheping vermoord werd. Later keerde Evarista terug naar Cuba. Hij had de opdracht om me te vermoorden, terwijl onze troepen al oprukten naar Santiago de Cuba, Holguín, Las Villas en het oosten van het land. Dit werd in detail bekend toen we de archieven van de Militaire Inlichtingendienst overnamen. Het staat er volledig beschreven. Ik heb verschillende moordaanslagen overleefd. Alleen door het toeval en door de gewoonte om voorzichtig elk detail te observeren konden we de listen van Eutimio Guerra overleven tijdens die eerste en meest dramatische dagen in de Sierra Maestra, waarna we allemaal bekend stonden als leiders van de triomferende Revolutie: Camilo, Che, Raúl, Almeida en Guillermo. We hadden dood kunnen zijn toen ons kamp onverwacht werd omsingeld door een belachelijke aanval onder leiding van de verrader. Bij het korte gevecht dat er volgde, leden we een droevig verlies: Julio Zenón, een zwarte suikerrietkapper en een buitengewone, actieve medestrijder, die op een paar stappen van mij liep en neerzeeg aan mijn zijde. Anderen overleefden het dodelijk gevaar, maar vielen later in de strijd, zoals Ciro Frías, een schitterend kameraad en beloftevolle leider in Imías, aan het Tweede Front; Ciro Redondo, die trots tegen de vijand vocht bij de troepen van Che’s kolonne in Marverde en Julito Díaz, die onophoudelijk zijn kaliber 30 mitrailleur afvuurde en op enkele stappen van ons hoofdkwartier bij de aanval op El Uvero omkwam. We lagen in een hinderlaag op een welgekozen plaats te wachten op de vijand, omdat we op de hoogte waren van de aanvallen die op die dag zouden plaatsvinden. Alleen toen twee mannen van de groep die we, uren voordat we de beslissing namen om ons te verplaatsen, als verkenners hadden uitgestuurd, terugkeerden zonder enige informatie, verslapte onze aandacht enkele minuten. Eutimio leidde de vijand gekleed in een wit hemd en hij was de enige die we konden zien in de bossen van de Alto de Espinosa, waar we ze opwachtten. Batista had al een bericht klaar over de liquidatie van onze groep, waar hij zeker van was, zoals vermeld in de pers. Door ons buitensporig vertrouwen hadden we de vijand eigenlijk onderschat, die voordeel haalde uit de menselijke zwakheden. Op dat moment waren we met 22 geharde en uitgekozen mannen. Ramiro, die zijn been had verwond, herstelde op een plaats ver verwijderd van ons. Door onze bewegingen op het laatste moment werd de colonne van meer dan 300 soldaten, die naast elkaar stapten in de steile bossen, die dag een grote aanval bespaard. Hoe werkte die machine tegen de Revolutie in Cuba? Op een zo vroeg moment als in de maand april van 1959 bezocht ik de Verenigde Staten op uitnodiging van de Club van de Pers van Washington. Nixon verwaardigde het zich om me te ontvangen in zijn privé-kantoor. Nadien beweerde hij dat ik niets van economie afwist. Ik was me hier zo van bewust, dat ik me inschreef voor drie universitaire studies om een beurs te behalen voor de studie van Economie in Harvard. Ik was al geslaagd voor alle vakken van Recht, Diplomatiek Recht en Sociale Wetenschappen. Ik moest enkel nog twee vakken afleggen: Geschiedenis van de Sociale Doctrines en Geschiedenis van de Politieke Doctrines. Ik had ze grondig gestudeerd. Dat jaar deed geen enkele andere student die inspanning. De weg lag open, maar de gebeurtenissen in Cuba volgden elkaar snel op en ik begreep dat het toen niet het moment was om een beurs te behalen en Economie te studeren. Op het einde van 1948 bezocht ik Harvard. Toen ik terugkeerde naar New York, kocht ik een editie van Het Kapitaal in het Engels, om het werk van Marx te bestuderen en me tegelijkertijd te verdiepen in deze taal. Ik was geen geheime militant van de Communistische Partij, zoals Nixon met zijn sluwe en speurende blik dacht. Als ik één ding kan verzekeren – en dat ontdekte ik aan de Universiteit door mijn eigen analyses en studies – is het dat ik eerst een idealistische communist was en daarna een radicale socialist, klaar voor de strijd met de juiste strategie en tactiek. Mijn enige bezwaar om met Nixon te spreken, was de weerzin om eerlijk mijn gedacht te zeggen tegen een vice-president en waarschijnlijk toekomstig President van de V.S., een expert in economische zaken en imperialistische bestuursmethodes waar ik al lang niet meer in geloofde. Wat was de essentie van dat gesprek, dat volgens de auteur van het betreffende vrijgegeven document uren duurde? Ik heb hier alleen mijn herinneringen over. Uit het document heb ik de paragrafen geselecteerd die volgens mij het best de ideeën van Nixon uitleggen. “Castro was vooral bezorgd over het feit dat hij senator Smathers zou hebben geïrriteerd door zijn commentaren op hem. Bij het begin van het gesprek verzekerde ik hem dat ‘Meet the Press’ een van de moeilijkste zaken was voor een publieke functionaris en dat hij het heel goed gedaan had, vooral rekening houdend met het feit dat hij de moed had om Engels te spreken, zonder de hulp van een vertaler.” “Het was ook duidelijk dat zijn bezoek aan de Verenigde Staten niet bedoeld was om een verandering in de suikerquota te bekomen of een lening te vragen van de regering, maar om de steun van de Noord-Amerikaanse publieke opinie te verkrijgen voor zijn politiek.” “Het was zijn bijna slaafse onderwerping aan de heersende opinie van de meerderheid – of de stem van het volk – meer nog dan zijn naïeve houding tegenover het communisme en zijn duidelijk gebrek aan kennis van de meest elementaire economische principes, die me zorgen baarde toen ik inschatte welk soort leider hij op termijn zou zijn. Dat was de reden waarom ik zoveel mogelijk tijd besteedde om hem te overtuigen dat hij de gave van een groot leider had, maar dat het de verantwoordelijkheid van de leider was om niet altijd de publieke opinie te volgen, maar ze op de juiste weg te helpen zetten: niet aan het volk geven wat het op een emotioneel moment denkt te willen, maar zorgen dat het volk wil wat het nodig heeft.” “Als het mijn beurt was om te spreken, legde ik de nadruk op het feit dat, hoewel wij geloven in de macht van de meerderheid, ook de meerderheid een tiran kan zijn en dat er bepaalde individuele rechten zijn waarover de meerderheid nooit de macht zou mogen hebben.” “Eerlijk gezegd, denk ik niet dat het veel effect had op hem, maar hij luisterde wel en leek ontvankelijk. Ik probeerde hem een essentieel idee voor te leggen: zijn plaats in de geschiedenis zou bepaald worden door de moed en de staatskunde die hij op dit moment ten toon spreidde. Het gemakkelijkste was de wil van de massa te volgen, maar correct handelen zou op termijn beter zijn voor het volk en natuurlijk ook beter voor hem. Zoals ik al zei, was hij ongelooflijk naïef tegenover de communistische dreiging en hij leek totaal geen schrik te hebben dat de communisten in de toekomst aan de macht zouden kunnen komen in Cuba.” “In onze gesprekken over het communisme, trachtte ik hem opnieuw in zijn eigen belang de argumenten voor te leggen: de revolutie die hij had geleid, zou in zijn nadeel kunnen uitdraaien en dat van het Cubaanse volk, als hij niet de controle over de situatie behield en zich verzekerde van het feit dat de communisten niet op machtsposities of invloedrijke plaatsen kwamen. Op dit vlak denk ik niet dat ik veel bereikt heb.” “Ik benadrukte zoveel mogelijk de noodzaak om verantwoordelijkheden te delegeren, maar opnieuw denk ik niet dat ik tot hem doordrong.” “Het was duidelijk dat als we over kwesties als de vrije meningsuiting, een vrije pers en de godsdienstvrijheid spraken, hij zich voornamelijk bekommerde over het ontwikkelen van programma’s voor economische vooruitgang. Hij herhaalde keer op keer dat een man die gedurende drie maanden op de suikerrietvelden werkte en de rest van het jaar honger leed, werk nodig had, iets te eten en een huis en kledij.” “Hij gaf aan dat het heel dom was dat de V.S. wapens gaven aan Cuba of aan een ander land in de Cariben: ‘iedereen weet dat onze landen geen grote rol kunnen spelen bij de verdediging van dit continent in geval van een wereldoorlog. De wapens die de regeringen in dit continent bemachtigen, dienen enkel om het volk te onderdrukken, zoals Batista deed om de revolutie te verijdelen. Het zou veel beter zijn dat het geld dat u geeft aan de Latijns-Amerikaanse landen voor wapens, zou besteed worden aan investeringen van kapitaal.’ Ik moet toegeven dat ik in essentie nauwelijks van mening verschilde met zijn argumenten.” “We hadden een lang gesprek over de weg die Cuba kon volgen om de vereiste kapitaalinvesteringen te bekomen voor haar economische ontwikkeling. Hij benadrukte dat wat Cuba vooral nodig had en wat hij wou geen privé-kapitaal was, maar kapitaal voor de regering.” Ik refereerde naar het kapitaal dat de Cubaanse regering bezat. Nixon zegt zelf dat ik nooit geld heb gevraagd aan de regering van de Verenigde Staten. Hij vergist zich een beetje en zegt: “... dat het kapitaal van de regering beperkt was door de grote vraag ernaar en de budgettaire problemen die we momenteel hebben.” Het is duidelijk dat ik het hem uitlegde, want in zijn nota gaat hij onmiddellijk verder: “... dat alle landen van Amerika en van de wereld kapitaal proberen te bemachtigen en dat het geld niet zou gaan naar landen waar er een grote schrik was dat er een politiek zou komen die de privé-ondernemingen zou discrimineren.” “Ook op dit vlak denk ik opnieuw dat ik niet veel bereikt heb.” “Met veel tact probeerde ik aan Castro te insinueren dat Muñoz Marín prachtig werk had geleverd in Puerto Rico wat betreft het aantrekken van privé-kapitaal en het verhogen van de levensstandaard van zijn volk in het algemeen. Hij zou er heel goed aan doen om iemand van zijn belangrijkste economieadviseurs naar Puerto Rico te sturen om te spreken met Muñoz Marín. Deze suggestie vond hij niet zo interessant en hij zei dat het Cubaanse volk ‘heel nationalistisch’ was en wantrouwig zou staan tegenover gelijk welk programma uit een land dat beschouwd werd als een ‘kolonie’ van de Verenigde Staten.” “Ik was geneigd te denken dat de echte reden voor zijn houding was dat hij eenvoudigweg niet akkoord ging met de standvastige positie van Muñoz als verdediger van privé-ondernemingen en dat hij geen advies wou dat hem zou kunnen doen afwijken van zijn doel om Cuba naar een meer socialistische economie te leiden.” “U zou in Amerika niet zoveel moeten spreken over de schrik voor wat de communisten in Cuba of in een ander Latijns-Amerikaans land en in Azië of in Afrika zouden kunnen doen.” “Ik trachtte ook onze houding tegenover het communisme in zijn context te plaatsen, door aan te geven dat het communisme iets meer was dan alleen maar een opvatting, en dat haar agenten gevaarlijk efficiënt waren in het overnemen van de macht en het installeren van dictaturen.” “Het valt op dat hij geen enkele vraag stelde over de suikerquota en zelfs niet specifiek sprak over economische steun.” “Mijn indruk van hem als mens is echt ambivalent. Eén ding is zeker: hij heeft de ondefinieerbare kwaliteiten die van mensen leiders maakt. Onafhankelijk van wat we over hem denken, zal hij een grote rol spelen in de ontwikkeling van Cuba en heel waarschijnlijk in de Latijns-Amerikaanse kwesties in het algemeen. Hij geeft de indruk eerlijk te zijn, maar ofwel is hij ongelooflijk naïef inzake het communisme, ofwel staat hij onder communistisch gezag.” “Maar daar hij, zoals ik zei, de kunst van het leiderschap bezit, kunnen we hem tenminste proberen te oriënteren naar de juiste richting.” Op die manier eindigde zijn vertrouwelijke nota aan het Witte Huis. Als Nixon begon te spreken, was het moeilijk hem te doen stoppen. Hij had de gewoonte om te preken voor de Latijns-Amerikaanse presidenten. Hij bracht geen notities mee over wat hij wou zeggen en nam ook geen nota van wat hij zei. Hij antwoordde op vragen die hem niet werden gesteld. Hij bracht onderwerpen aan die hij enkel baseerde op wat hij op voorhand van zijn gesprekspartner dacht. Zelfs een eerstejaarsstudent zou niet verwachten zoveel lessen te krijgen over democratie, anticommunisme en andere onderwerpen betreffende de kunst om te regeren. Hij was een fanatiek adept van het ontwikkelde kapitalisme en haar natuurlijk recht om de wereld te domineren. Hij idealiseerde het systeem. Hij kon zich niets anders indenken en het was onmogelijk om hierover te communiceren met hem. De moorden begonnen onder het bestuur van Eisenhower en Nixon. Er is geen andere manier om uit te leggen waarom Kissinger letterlijk zei dat “er bloed zou vloeien als men bijvoorbeeld zou weten dat de Procureur-Generaal Robert Kennedy persoonlijk de moord op Fidel Castro had geleid”. Het bloed had al eerder gevloeid. Uitgenomen enkele uitzonderingen, volgden de andere regeringen dezelfde politiek. In een nota van 11 december 1959 zei J.C. King, het hoofd van de Afdeling van het Westelijk Halfrond van de CIA letterlijk: “We moeten ten gronde de mogelijkheid bekijken om Fidel Castro te elimineren (...) Vele goed geïnformeerde personen denken dat de verdwijning van Castro de val van de regering serieus zou doen versnellen...” Zoals de CIA en de Senaatscommissie van 1975 onder leiding van Church erkenden, startten de moordplannen in 1960, toen het voorstel om de Cubaanse Revolutie te vernietigen werd geconcretiseerd in het presidentieel programma van maart in dat jaar. De nota van J.C. King werd gestuurd naar de Directeur-Generaal van de CIA, Allen Dulles, met de uitdrukkelijke vraag om toestemming voor deze en andere maatregelen. Ze werden allemaal goedgekeurd en met genoegen bekeken, vooral de moord, zoals te zien is in de volgende noot bij het document dat Allen Dulles ondertekende en dateerde op 12 december, één dag later: “De aanbeveling in paragraaf 3 wordt goedgekeurd.” Pedro Álvarez-Tabió, de Directeur van de Dienst van Historische Zaken van de Raad van State, schrijft in het ontwerp voor zijn boek over een gedetailleerde analyse van de vrijgegeven documenten het volgende: “tot 1993 heeft de Cubaanse Staatsveiligheid in totaal 627 samenzweringen tegen het leven van de Commandant en Voorzitter Fidel Castro ontdekt en verijdeld. Dit cijfer omvat zowel de plannen die zich in een concrete uitvoeringsfase bevonden als de plannen die in een eerste stadium werden geneutraliseerd en verder ook andere pogingen die via diverse kanalen en om verschillende redenen publiek werden gemaakt in de Verenigde Staten zelf. Het omvat niet het aantal gevallen die niet konden geverifieerd worden, omdat de enige beschikbare informatie kwam van de getuigenis van enkele participanten, en natuurlijk ook niet de plannen van na 1993.” Voordien wisten we door het rapport van kolonel Jack Hawkins, de paramilitaire baas van de CIA bij de voorbereidingen voor de invasie van Varkensbaai, dat “de paramilitaire overheid de mogelijkheid had bestudeerd om een aanvalsleger met een grotere slagkracht te organiseren dan het kleine contingent dat eerder was gepland.” “We denken dat dit leger op Cuba kan ontschepen na de ontwikkeling van effectieve daden van verzet, actieve guerrillatroepen inbegrepen. We moeten vaststellen dat onze guerrillatroepen de laatste tijd met succes hebben geopereerd in de bergen van Escambray. We veronderstellen dat de ontscheping van het aanvalsleger, na een activiteit van algemene weerstand, een wijdverbreide opstand zal bespoedigen en desertie zal veroorzaken bij de gewapende troepen van Castro, hetgeen aanzienlijk zou bijdragen tot zijn omverwerping.” “Het idee voor een aanval via het water en de lucht werd besproken op vergaderingen van de Speciale Eenheid tijdens de maanden november en december van 1960. De groep nam geen definitieve beslissing over het inzetten van zo een leger, maar verzette zich ook niet tegen de verdere ontwikkeling voor een eventuele toepassing. Eind november van dat jaar werd president Eisenhower over dit idee ingelicht door vertegenwoordigers van de CIA. Hij gaf blijk van zijn wil om doortastend verder te gaan met alle activiteiten die bij de betreffende departementen op stapel stonden.” Wat stond er in Hawkins’ rapport over de resultaten van het programma van geheime operaties tegen Cuba tussen september 1960 en april 1961? Niets minder dan het volgende: “a. Infiltratie van de Paramilitaire Agenten. “b. Operaties van Bevoorradingsvliegtuigen. “c Operaties van Bevoorradingsschepen. “d. Ontwikkeling van de Guerrilla-Activiteit. “e. Sabotage. (a). Ongeveer 300 000 ton suikerriet werd vernield in 800 branden. (b). Er werden ongeveer 150 andere branden veroorzaakt, onder andere in 42 tabaksdrogerijen, twee papierfabrieken, een suikerraffinaderij, twee zuivelfabrieken, vier warenhuizen en 21 huizen van communisten. (c). Er werden ongeveer 110 aanslagen met dynamiet gepleegd, onder andere op kantoren van de Communistische Partij, de elektriciteitscentrale van Havanna, twee warenhuizen, een treinstation, een busstation, militaire onderkomens en spoorwegen. (d.) Er waren ongeveer 200 bomaanslagen in de provincie La Habana. (e). Er ontspoorden zes treinen, een station en de transmissiekabels werden vernield en talrijke elektriciteitstransformators. (f). Een commando lanceerde een aanval van op zee tegen Santiago, waardoor de raffinaderij een week buiten werking was.” Tot hier wat we weten dankzij de informatie van Hawkins. Iedereen kan begrijpen dat tweehonderd bommen in de belangrijkste provincie van een onderontwikkeld land, dat leefde van de monocultuur van suikerriet, een half slavenwerk, en van de quota van suiker, die gedurende haast twee eeuwen werd gewonnen als een veilige voorraad en waarvan de gronden en fabrieken met de grootste productiecapaciteit in handen waren van grote Noord-Aamerikaanse firma’s, een brutale daad van tirannie betekende tegenover het Cubaanse volk. Voeg hierbij de andere acties die werden gevoerd. Meer zeg ik niet. Het is genoeg voor vandaag. Fidel Castro Ruz Vertaling: Yola Ooms |