print versie

Bedenkingen van Fidel Castro

Het imperium en het onafhankelijk eiland

De laatste 140 jaar wordt de geschiedenis van Cuba gekenmerkt door de strijd voor het vrijwaren van de nationale identiteit en onafhankelijkheid en door de geschiedenis van het imperium van de Verenigde Staten, dat voortdurend streefde om zich Cuba toe te eigenen en vandaag gruwelijke methodes gebruikt om de wereldheerschappij vast te houden. Vooraanstaande Cubaanse historici hebben in verschillende tijdperken deze thema's grondig bestudeerd in diverse en uitstekende boeken, die het verdienen om in het bereik te zijn van onze landgenoten. Deze reflecties zijn speciaal gericht aan de nieuwe generaties met de bedoeling om hen op de hoogte te stellen van heel belangrijke en beslissende gebeurtenissen voor de lotsbestemming van ons land.

EERSTE DEEL: HET AFDWINGEN VAN HET AMENDEMENT PLATT ALS TOEVOEGING BIJ DE NEOKOLONIALE CUBAANSE GRONDWET VAN 1901.

In 1823 formuleerde John Quincy Adams, Minister van Buitenlandse Zaken en later President, de “doctrine van de rijpe vrucht”. De Verenigde Staten zouden omwille van hun politiek zwaargewicht zich onvermijdelijk meester kunnen maken van ons land, dat zich losbrak van de koloniale onderwerping aan Spanje.

Onder het voorwendsel van het opblazen van de “Maine” – een gebeurtenis die nog niet is doorgrond en waarvan men profiteerde om de oorlog tegen Spanje te beginnen, zoals bij het incident in de Golf van Tonkin, waarvan daarentegen bewezen is dat het was opgezet om Noord-Vietnam te kunnen aanvallen – ondertekende president William McKinley de Gemeenschappelijke Resolutie van 20 april 1898, waarin stond “...dat het volk van het eiland Cuba rechtmatig vrij en onafhankelijk is en moet zijn”, “... dat de Verenigde Staten heden verklaren dat ze niet de wens of de intentie hebben om het genoemde Eiland onder hun heerschappij, hun jurisdictie of hun eigendom te plaatsen, behalve om de vrede te bewerkstelligen en ze bevestigen hun besluit om, als deze bereikt is, de regering en het eigendomsrecht van het eiland aan haar volk te zullen laten.” De Gemeenschappelijke Resolutie gaf aan de President de bevoegdheid om troepen in te zetten om de Spaanse regering in Cuba omver te werpen.

Toen het dappere maar verkeerd ingezette Spaanse eskader met de Marine-infanterie aan boord door de Noord-Amerikaanse slagschepen was vernietigd, vroegen Kolonel Leonard Wood, hoofd van het regiment van de Rough Riders en Theodore Roosevelt, onderbevelhebber van de vrijwilligers belust op expansie, die aan land kwamen via de stranden dichtbij Santiago de Cuba, de hulp van de Cubaanse opstandelingen, die ten koste van enorme opofferingen een slijtageslag hadden geleverd en het koloniale Spaanse leger buiten strijd hadden geplaatst. Het regiment van de Rough Riders was zonder hun paarden van boord gegaan.

Na de Spaanse nederlaag ondertekenden de vertegenwoordigers van de Koningin-Regent van Spanje en van de President van de Verenigde Staten op 10 december 1898 het Verdrag van Parijs, waarbij achter de rug van het Cubaanse volk werd overeengekomen dat Spanje afzag van alle rechten op eigendom en overheersing over het eiland en dat ze er zouden weggaan. De Verenigde Staten zouden Cuba tijdelijk bezetten.

De reeds genoemde Noord-Amerikaanse militaire bevelhebber en Eerste Generaal van het Leger, Leonard Wood, vaardigde het Order 301 van 25 juli 1900 uit, waarbij werd bepaald dat men algemene verkiezingen zou houden voor de aanstelling van afgevaardigden voor een Grondwetgevend Parlement, dat op de eerste maandag van november 1900 om 12 uur ‘s middags in Havanna zou samenkomen, met het doel een Grondwet voor het Cubaanse volk op te stellen en goed te keuren.

Op 15 september 1900 werden er commissies gevormd, waaruit 31 afgevaardigden werden gekozen uit de Nationale en de Republikeinse Partij en de Democratische Unie. Op 5 november 1900 werd in Havanna de Grondwetgevende Conventie gevormd in het Irijoa Theater dat bij die gelegenheid de naam Theater Martí kreeg.

Generaal Wood, die de President van de Verenigde Staten vertegenwoordigde, verklaarde de Conventie geopend. Wood hield hen het doel van de Verenigde Staten voor: “Als u de relaties hebt geformuleerd die naar uw oordeel moeten bestaan tussen Cuba en de Verenigde Staten, zal de regering van de V.S. zonder enige twijfel de maatregelen nemen die volgens haar zullen leiden tot een finaal en rechtsgeldig akkoord tussen de volkeren van beide landen, met als doel het bevorderen van de gemeenschappelijke belangen."

De Grondwet van 1901 bepaalt in Artikel 2 dat "het grondgebied van de Republiek het eiland Cuba omvat, alsook de eilanden en aanpalende riffen die erbij hoorden onder de heerschappij van Spanje tot de bekrachtiging van het Verdrag van Parijs op 10 december 1898."

Toen de Grondwet was opgesteld, brak het moment aan om de politieke relaties tussen Cuba en de Verenigde Staten vast te leggen. Hiervoor werd op 12 februari 1901 een commissie van vijf leden samengesteld, belast met het bestuderen van verschillende voorstellen die zouden leiden tot het vooropgezette doel.

Op 15 februari nodigde Generaal Wood de leden van de commissie uit om te gaan vissen en hij bood hen een banket aan in Batabanó, de belangrijkste toegang tot het eiland Isla de Pinos , dat toen ook bezet was door troepen van de V.S., die tussenkwamen in de Onafhankelijkheidsoorlog van Cuba. In Batabanó zelf toonde hij hen de brief van de Minister van Oorlog Elihu Root, met daarin de basislijnen van het toekomstige Amendement Platt. Volgens de instructies van Washington moesten de relaties tussen Cuba en de Verenigde Staten rond verschillende aspecten worden geregeld. Het vijfde punt bepaalde dat, om het de V.S. gemakkelijker te maken opdrachten uit te voeren die aan hen toekwamen door de reeds vernoemde bepalingen en ook voor hun eigen verdediging, ze eigendom zouden kunnen verwerven en behouden over gebieden geschikt voor marinebasissen en ze op specifieke plaatsen te handhaven.

Toen de Cubaanse Grondwetgevende Conventie de voorwaarden van de regering van de V.S. te weten kwam, diende ze op 27 februari 1901 bij de Noord-Amerikaanse regering een tegenvoorstel in, waaruit de oprichting van marinebasissen was verwijderd.

De regering van de V.S. kwam met de republikeinse senator van Connecticut, Orville H. Platt, overeen om bij de ontwikkeling van het Wetsvoorstel van het Leger een amendement naar voor te brengen, dat de implantatie van Noord-Amerikaanse marinebasissen op Cubaans grondgebied als een voldongen feit beschouwde.

Op 27 februari 1901 keurde de Senaat van de V.S. het Amendement goed, op 1 maart gevolgd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de dag daarna werd het door president McKinley bekrachtigd als bijlage bij de "Wet over de kredieten van het Leger in het fiscaal jaar dat eindigt op 30 juni 1902”. Het artikel over de marinebasissen was opgesteld als volgt:

"Art. VII.- Om de Verenigde Staten de mogelijkheid te geven de onafhankelijkheid van Cuba te verzekeren en haar bevolking te beschermen, alsook voor hun eigen verdediging, zal de Regering van Cuba aan de Verenigde Staten de nodige gronden verkopen of verhuren voor basissen voor marineschepen en kolenschepen, op bepaalde plaatsen die met de President van de Verenigde Staten zullen worden afgesproken."

In artikel VIII wordt nog toegevoegd: "De regering van Cuba zal de vorige bepalingen opnemen in een permanent verdrag met de Verenigde Staten."

De snelle goedkeuring van het Amendement door het Congres van de Verenigde Staten kwam door het nakende einde van de legislatuur en door het feit dat president McKinley in beide Kamers kon rekenen op een ruime meerderheid om het zonder problemen goed te keuren. Toen McKinley op 4 maart aan zijn tweede periode als president begon, werd het omgezet in een wet van de Verenigde Staten.

Enkele leden van de Grondwetgevende Conventie hielden staande dat zij niet gemachtigd waren om het door de V.S. voorgestelde Amendement goed te keuren, omdat het de beperking van de onafhankelijkheid en de soevereiniteit van Cuba impliceerde. Dus haastte Generaal Leonard Wood zich om op 12 maart 1901 een nieuwe Militaire Order uit te vaardigen, waarin werd verklaard dat de Conventie bevoegd was om de maatregelen goed te keuren waarvan ze de grondwettelijkheid betwijfelde.

Andere leden van de Conventie, zoals Manuel Sanguily, vonden dat de Conventie zich moest ontbinden vóórdat ze maatregelen goedkeurde die een zo grote aanslag waren op de waardigheid en de soevereiniteit van het Cubaanse volk. Maar in de vergadering van 7 maart 1901 werd opnieuw een commissie aangesteld om een antwoord te formuleren aan Generaal Wood, waarvan de redactie werd overgelaten aan Juan Gualberto Gómez, die aanraadde om onder andere de clausule in verband met de basissen voor marine- of kolenschepen te verwerpen.

Juan Gualberto Gómez gaf de zwaarste kritiek op het Amendement Platt. Op 1 april bracht hij een rapport ter discussie waarin hij het amendement aanvocht, omdat het niet overeenstemde met de principes van het Verdrag van Parijs en de Gemeenschappelijke Resolutie. Maar de Conventie stelde het debat over zijn rapport uit en besloot een andere commissie naar de V.S. te sturen om "de gezichtspunten en doelstellingen van de Verenigde Staten te weten te komen in verband met specifieke punten bij de opstelling van een definitief verdrag over de politieke en economische verhoudingen tussen Cuba en de Verenigde Staten en om er met de regering zelf een basisakkoord te bereiken over deze tegenstellingen, dat dan aan de Conventie zou worden voorgesteld voor haar uiteindelijke resolutie.”

Daarna werd de commissie die naar Washington zou reizen verkozen. Op 24 april 1901 kwamen Domingo Méndez Capote, Diego Tamayo, Pedro González Llorente, Rafael Portuondo Tamayo en Pedro Betancourt in de Verenigde Staten aan. De volgende dag werden ze ontvangen door Root en Wood. Deze laatste was voordien naar hun land gereisd om dit te bereiken.

De Noord-Amerikaanse regering haastte zich om openlijk te verklaren dat de commissie op eigen initiatief, zonder uitnodiging en niet officieel naar Washington was gekomen.

Root, toen Minister van Oorlog, ontving de commissie op 25 en 26 april 1901 en liet hen op besliste toon weten dat "het recht van de Verenigde Staten om de betreffende clausules op te leggen al gedurende driekwart eeuw werd verkondigd voor de Amerikaanse en de Europese wereld en dat ze niet van plan waren om hieraan te verzaken en zo hun eigen veiligheid in gevaar te brengen."

De Noord-Amerikaanse ambtenaren herhaalden dat geen enkele clausule van het Amendement Platt de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Cuba aantastte, integendeel, ze werden erdoor beschermd, en ze deelden mee dat ze alleen zouden tussenkomen in geval van ernstige verstoringen, met als enige doel de orde en de interne vrede te bewaren.

Op 7 mei 1901 deelde de commissie in een geheime zitting haar rapport mee aan de Conventie. Binnen de commissie was er zware onenigheid over het Amendement Platt.

Op 28 mei werd een rapport ter discussie gesteld, dat was opgesteld door Villuendas, Tamayo en Quesada, waarin het Amendement werd aanvaard met enkele toevoegingen en de aanbeveling om een onderling handelsakkoord af te sluiten.

Dit voorstel werd met 15 stemmen tegen 14 goedgekeurd. Maar de Verenigde Staten aanvaardden die oplossing niet en lieten via Generaal Wood weten dat ze het Amendement enkel onveranderd zouden aannemen en verwittigden de Conventie met het ultimatum dat het Amendement Platt "een statuut was dat door de Wetgevende Macht van de Verenigde Staten was goedgekeurd en de President verplicht was om het uit te voeren zoals het was. Men kan het niet veranderen, wijzigen, zaken toevoegen of weglaten. De uitvoering van het statuut houdt in dat het Noord-Amerikaanse Leger zich zal terugtrekken uit Cuba, maar het statuut laat deze actie enkel en alleen toe als er een regering is gevormd met een Grondwet die in haar grondslagen of in haar toegevoegde wetten bepaalde verordeningen heeft opgenomen, die in het statuut worden gespecificeerd (...) Als hij dus deze verordeningen in de Grondwet vindt, zal hij gemachtigd zijn om het Leger terug te trekken, zoniet, zal hij die machtiging niet hebben...”

De Minister van Oorlog van de Verenigde Staten stuurde een brief naar de Cubaanse Grondwetgevende Conventie, waarin hij meedeelde dat het Amendement Platt in haar totaliteit moest worden goedgekeurd zonder enige toelichting, omdat het zo zou worden toegevoegd aan het Noord-Amerikaans wetsvoorstel en als dit niet gebeurde, zouden de militaire troepen van zijn land zich niet terugtrekken uit Cuba.

Op 12 juni 1901 werd in een andere geheime zitting van de Grondwetgevende Conventie gestemd over de inlijving van het Amendement Platt als toevoeging bij de Grondwet van de Republiek en op 21 februari werd het goedgekeurd: 16 afgevaardigden stemden voor en 11 stemden tegen. Bravo Correoso, Robau, Gener en Rius Rivera, bleven weg uit de zitting, omdat ze voor die monstruositeit niet wilden stemmen.

Het slechtste van het Amendement was de hypocrisie, het bedrog, het machiavellisme en het cynisme waarmee het plan om zich Cuba toe te eigenen werd uitgevoerd, gaande tot het openlijk verklaren van dezelfde argumenten die John Quincy Adams in 1823 gebruikt had, toen hij het had over de appel die zou vallen door de zwaartekracht. Die appel viel uiteindelijk, maar ze was rot, zoals talrijke Cubaanse denkers gedurende bijna een halve eeuw voorspelden, vanaf José Martí in de jaren 1880 tot Julio Antonio Mella, die in januari 1929 werd vermoord.

Buiten Leonard Wood zelf, kon niemand beter beschrijven wat het Amendement Platt betekende voor Cuba. Op 28 oktober 1901 stuurde hij een vertrouwelijke brief naar zijn kameraad in het avontuur Theodore Roosevelt, waarin de volgende fragmenten stonden:

"Natuurlijk hebben we Cuba met het Amendement Platt weinig of geen onafhankelijkheid gelaten en het enige wat we nu moeten doen, is de annexatie proberen te bereiken. Toch zal dit een beetje tijd vergen en gedurende de periode dat Cuba haar eigen bestuur heeft, is het wenselijk dat ze er een heeft dat tot haar vooruitgang en haar verbetering leidt. Cuba kan niet zonder onze instemming bepaalde verdragen afsluiten, noch boven bepaalde limieten een lening aanvragen en het moet zich houden aan de sanitaire voorwaarden die we hebben vastgelegd. Door dit alles is het duidelijk dat het land volledig in onze handen is en ik denk dat geen enkele Europese regering het ooit anders beschouwt dan hoe het is, echt afhankelijk van de Verenigde Staten en dus verdient het land onze consideratie." ... "Met de controle die zonder twijfel vlug zal omslaan in bezit, controleren we binnenkort praktisch de wereldhandel in suiker. Het eiland zal gaandeweg veramerikaniseren en op de gepaste tijd zullen we een van de rijkste en meest gewenste bezittingen van de wereld hebben..."

TWEEDE DEEL: DE TOEPASSING VAN HET AMENDEMENT PLATT EN DE OPRICHTING VAN DE MILITAIRE BASIS IN GUANTANAMO ALS KADER VOOR DE RELATIES TUSSEN CUBA EN DE VERENIGDE STATEN

Op het einde van 1901 werden er verkiezingen gehouden, waarbij Tomás Estrada Palma zonder tegenstand de overwinning behaalde met 47 procent van de stemmen. De verkozen President verbleef in de Verenigde Staten en vertrok op 17 april 1902 naar Cuba, waar hij drie dagen later aankwam. Op 20 mei 1902 om 12 uur ‘s middags vond de machtsoverdracht plaats. Het Congres van de Republiek was al samengesteld. Leonard Wood vertrok naar zijn land met het schip de "Brooklyn".

In 1902, een tijdje vóór de afkondiging van de Republiek, deelde de Noord-Amerikaanse regering aan de pas verkozen President van het Eiland mee welke plaatsen ze had uitgekozen voor de installatie van de marinebasissen, die waren voorzien in het Amendement Platt: Cienfuegos, Bahía Honda, Guantánamo en Nipe. Ook de haven van Havanna werd beschouwd als “de meest geschikte plaats voor de vierde marinebasis.”

De Regering van Cuba, waarin veel onafhankelijkheidsstrijders zetelden, verzette zich, ondanks haar onwettige oorsprong, tegen de toekenning van vier marinebasissen, want ze vond twee basissen meer dan genoeg. De spanning steeg toen de Cubaanse regering haar posities wilde verstevigen en vroeg om eindelijk het Permanent Relatietraktaat tussen beide landen op te stellen, met de bedoeling om "ineens en niet gedeeltelijk de punten van het Amendement Platt vast te leggen en de draagwijdte van haar voorschriften te bepalen".

President McKinley was op 14 september 1901 overleden, ten gevolge van de schoten die op de 6 de dag van die maand op hem waren afgevuurd. Theodore Roosevelt was in zijn politieke carrière al opgeklommen tot vice-president van de Verenigde Staten, waardoor hij na de moordende aanval op zijn voorganger het presidentschap verwierf. Op dat moment vond Roosevelt het niet opportuun om de draagwijdte van het Amendement Platt te preciseren: hij wou de installatie van de militaire basis in Guantánamo niet uitstellen, omdat die het Kanaal kon verdedigen, dat de Fransen in de Midden-Amerikaanse landengte hadden opgestart en nadien achtergelaten en dat de vraatzuchtige regering van het imperium kost wat kost wou afmaken. Het interesseerde hem ook niet om de wettelijke situatie van het Isla de Pinos vast te leggen. Daarom verminderde hij plots het aantal marinebasissen dat ter discussie lag, trok hij het voorstel van de haven van Havanna terug en ging uiteindelijk akkoord met de toewijzing van twee basissen: Guantánamo en Bahía Honda.

Achteraf werd in uitvoering van Artikel VII van de toevoeging aan de grondwet, die bij de Grondwetgevende Conventie was afgedwongen, op 16 en 23 februari 1903 door de Presidenten van Cuba en van de Verenigde Staten het Verdrag ondertekend, waarin stond:

"Artkel I.- Momenteel verhuurt de Republiek Cuba aan de Verenigde Staten voor de tijd die zij nodig achten en voor het installeren van basissen voor kolenschepen of marineschepen, de gronden en het water gesitueerd op het eiland Cuba, die hierna worden beschreven:

"1. In Guantánamo... " Er wordt een volledige beschrijving gegeven van de baai en het omliggende grondgebied.

"2. In Bahía Honda..." Er volgt een gelijkaardige beschrijving.

In het genoemde Verdrag wordt bepaald:

"Artkel III.- Hoewel de Verenigde Staten van hun kant de voortzetting van de definitieve heerschappij van de Republiek Cuba erkennen over de gebieden en het water hierboven beschreven, geeft de Republiek Cuba van haar kant de toestemming, gedurende de periode dat de Verenigde Staten volgens de bepalingen van dit verdrag de genoemde gebieden bezetten, aan de Verenigde Staten om de volledige jurisdictie en de heerschappij over de genoemde gebieden uit te oefenen, met het recht om, voor publieke doeleinden, gelijk welk terrein of andere eigendom op deze gebieden te verwerven door de aankoop of door gedwongen onteigening met volledige schadeloosstelling van de eigenaars."

Op 28 mei 1903 begon men met de metingen om de grenzen van de marinebasis in Guantánamo vast te leggen.

In het Verdrag van 2 juli 1903 werd over dit onderwerp het "Reglement voor de verhuring van de basissen voor Kolenschepen en Marineschepen” goedgekeurd:

"Artikel I.- De Verenigde Staten van Amerika komen overeen en bepalen te betalen aan de Republiek Cuba de jaarlijkse som van 2 000 pesos in goudstukken van de Verenigde Staten gedurende de periode dat ze krachtens het genoemde Verdrag de betreffende gebieden bezetten en gebruiken."

"Alle gronden die particuliere eigendommen zijn en ander onroerend goed dat zich in de betreffende gebieden bevindt, zullen zonder uitstel aan de Republiek Cuba verkocht worden. De Verenigde Staten komen overeen om aan de Republiek Cuba de nodige som geld te geven om de genoemde gronden en particuliere eigendommen te kopen en de Republiek Cuba zal dit geld beschouwen als voorschot op de krachtens het Verdrag verschuldigde huur."

Het Verdrag dat deze verhuring reglementeerde, werd in Havanna ondertekend door de vertegenwoordigers van de Presidenten van Cuba en van de Verenigde Staten en respectievelijk op 16 juli 1903 door de Senaat van Cuba goedgekeurd, een maand later, op 16 augustus, geratificeerd door de President van Cuba en op 2 oktober door de President van de Verenigde Staten. Op 6 oktober werd het in Washington uitgewisseld en op 12 oktober 1903 werd het gepubliceerd in de Gaceta de Cuba .

Op 14 december 1903 werd bekend dat vier dagen eerder, op de 10 de van die maand, De Verenigde Staten de gebieden met water en land in bezit hadden genomen voor de installering van de marinebasis in Guantánamo.

De overdracht van een deel van het territorium van het grootste eiland in de Antillen was voor de Regering en de Marine van de Verenigde Staten een grote vreugde en ze wilden dit vieren. Hiervoor kwamen in Guantánamo schepen van het Eskader van de Cariben en enkele pantserschepen van de Noord-Atlantische Vloot bijeen.

De Cubaanse regering gaf aan de Directeur van Openbare Werken van Santiago de Cuba de opdracht om dat deel van haar grondgebied over te dragen, waarover het op 10 december 1903 in theorie de heerschappij had, een datum die de Verenigde Staten hadden gekozen. Hij was de enige Cubaan die op de ceremonie aanwezig was en dit slechts een kort ogenblik, want na het vervullen van zijn taak, trok hij zich zonder toasten of handen schudden terug in het naburige dorp Caimanera.

De Directeur van Openbare Werken had zich verplaatst met de "Kearsage", het vlaggenschip van de Noord-Amerikanen, waarop generaal-majoor Barker zich bevond. Om 12 uur werden 21 kanonschoten afgevuurd en onder de tonen van de Nationale Hymne van Cuba liet men de Cubaanse vlag neer, die op het schip was gehesen en onmiddellijk werd op de plaats Playa del Este genoemd, met hetzelfde aantal schoten de vlag van de Verenigde Staten gehesen, waarmee de viering eindigde.

Volgens het reglement van het Verdrag mochten de Verenigde Staten de afgestane gronden uitsluitend bestemmen voor openbaar gebruik en konden ze er geen handelszaken of industrie van gelijk welke soort inplanten.

De autoriteiten van de Verenigde Staten op het betreffende gebied en de Cubaanse autoriteiten spraken wederzijds af dat ze degenen die wegens misdaden of vergrijpen tegen de wetten van elk landsgedeelte vluchtten voor het gerecht, altijd zouden overdragen als de autoriteiten van het land vroegen om hen te mogen berechten.

De materialen die in de betreffende marinebasissen werden geïmporteerd voor hun gebruik en hun consumptie, zouden vrijgesteld zijn van douaneheffingen of van gelijk welke andere belasting aan de Republiek Cuba.

De verhuring van de betreffende marinebasissen omvatte het recht om de omliggende waters van het genoemde gebied te gebruiken en te bezetten, het recht om de toegangen van hun basissen en hun ankerplaatsen te verbeteren en dieper te maken en om te doen wat verder nog nodig was voor het exclusieve gebruik waarvoor ze waren bestemd.

Hoewel de Verenigde Staten de voortzetting van de definitieve heerschappij van Cuba over die gebieden van water en land erkenden, zouden ze met de instemming van Cuba "de jurisdictie en de volledige heerschappij" over de genoemde gebieden uitoefenen zolang ze die in overeenstemming met de reeds geciteerde bepalingen bezetten.

In wat men noemde het Permanent Relatietraktaat van 22 mei 1903, afgesloten tussen de regeringen van de Republiek Cuba en van de Verenigde Staten, werden de toekomstige relaties tussen beide landen gepreciseerd, het is te zeggen, er werd bevestigd wat Manuel Márquez Sterling "het onverdraaglijk juk van het Amendement Platt" noemde.

Het door beide landen ondertekend Permanent Relatietraktaat werd op 22 maart 1904 goedgekeurd door de Senaat van de Verenigde Staten en op 8 juni van dat jaar door de Cubaanse Senaat. De ratificaties waren op 1 juni 1904 in Washington uitgewisseld. Hierdoor is het Amendement Platt een Noord-Amerikaanse wet, een toevoeging aan de Grondwet van Cuba van 1901 en een permanent verdrag tussen beide landen.

De ervaringen met de marinebasis van Guantánamo zouden in Panama dienst doen voor het toepassen van dezelfde of nog slechtere methodes voor het Kanaal.

In het Noord-Amerikaans Congres past men de methode van amendementen regelmatig toe, als men een inhoudelijk belangrijke en dringend noodzakelijke wet bediscussieert, waarbij de wetgevers verplicht worden om afwijkende meningen terzijde te laten of op te offeren. Zulke amendementen hebben meer dan eens afbreuk gedaan aan de soevereiniteit waarvoor ons volk onvermoeibaar vecht.

De Cubaanse Minister van Buitenlandse Zaken, Manuel Sanguily, onderhandelde in 1912 met zijn Noord-Amerikaanse ambtgenoot over een nieuw verdrag, waardoor de Verenigde Staten zouden afzien van hun rechten op Bahía Honda in ruil voor een verruiming van de grenzen van de basis in Guantánamo.

Toen de Partij van de Onafhankelijken van Kleur in hetzelfde jaar een oproer veroorzaakten, die door de regering van president José Miguel Gómez van de Liberale partij brutaal werd neergeslagen, vertrokken Noord-Amerikaanse troepen vanuit de Marinebasis van Guantánamo en bezetten verschillende dorpen van de voormalige provincie Oriente, dichtbij de steden van Guantánamo en Santiago de Cuba, onder het voorwendsel dat ze “levens en boerderijen van Noord-Amerikaanse burgers beschermden".

Toen in 1917 in Oriente de volksopstand uitbrak gekend als "La Chambelona", geleid door elementen van de Liberale Partij die zich verzetten tegen de verkiezingsfraude waardoor president Mario García Menocal van de Conservatieve Parij werd herverkozen, vertrokken yankeedetachementen vanuit de Basis naar verschillende plaatsen in die Cubaanse provincie, onder het voorwendsel dat ze “de toelevering van water naar de Basis beschermden”.

DERDE DEEL: DE FORMELE AFSCHAFFING VAN HET AMENDEMENT PLATT EN HET BEHOUD VAN DE MARINEBASIS IN GUANTANAMO

Toen in 1933 de democratische Regering van Franklin Delano Roosevelt in de Verenigde Staten aan het bewind kwam, lag de weg vrij voor de nodige herschikking van de overheersing die dat land over Cuba uitoefende. De val van de tirannie van Gerardo Machado onder druk van een machtige volksbeweging en de installatie daarna van een voorlopige regering met als voorzitter, Ramón Grau San Martín, een professor Anatomie, vormden een zwaar obstakel voor de realisatie van het programma dat het volk vroeg.

Op 24 november 1933 verklaarde president Roosevelt van de V.S. officieel dat hij de samenzwering van Batista en de Ambassadeur in Havanna, Sumner Welles, tegen de regering van Grau steunde, en hij bood aan om een nieuw handelsverdrag af te sluiten en het Amendement af te schaffen. Roosevelt zei dat hij "... elke Voorlopige Regering in Cuba die het vertrouwen geniet van het Cubaanse volk, welkom heette". Het ongeduld van de Noord-Amerikaanse regering om zich van Grau te ontdoen steeg ten top, want sinds half november werd de Cubaanse regering beïnvloed door een jonge anti-imperialistische strijder, Antonio Guiteras, die in de daaropvolgende maanden veel van zijn radicaalste stappen ondernam. Men moest deze regering snel omverwerpen.

Op 13 december 1933 keerde ambassadeur Sumner Welles definitief terug naar Washington en vijf dagen later werd hij vervangen door Jefferson Caffery.

Op 13 en 14 januari 1934, riep Batista in Columbia een militaire vergadering bijeen, waarin hij voorstelde om Grau te vervangen door Kolonel Carlos Mendieta y Montefur, die door de zogenaamde Militaire Junta van Columbia werd geaccepteerd. In de ochtend van 15 januari 1934 diende Grau San Martín zijn ontslag in en op de 20 ste van diezelfde maand voer hij als banneling richting México.

Op 18 januari 1934 werd Mendieta door middel van een staatsgreep aangesteld als president. Hoewel de Verenigde Staten het bestuur van Mendieta erkenden, regelden ambassadeur Caffery en Batista, zoals men weet, in werkelijkheid de toekomst van het land.

De omverwerping in januari 1934 van de voorlopige regering van Grau San Martín, die het slachtoffer was van interne conflicten, en het arsenaal van pressie, gemanoeuvreer en aanvallen van het imperialisme samen met zijn creoolse bondgenoten, betekende een eerste en onontbeerlijke stap voor de instelling van een oligarchisch en imperialistisch alternatief als uitweg voor de nationale crisis in Cuba.

De regering van Mendieta had de opdracht om de neokoloniale afhankelijkheid van het land te herschikken..

Noch de heringevoerde oligarchie die aan de macht was, noch de regering van Washington kon toen de geestesgesteldheid van het Cubaanse volk tegenover het neokolonialisme en haar methodes negeren. De Verenigde Staten waren zich ook bewust van het belang van de steun van de regeringen van Zuid-Amerika, waaronder die van Cuba, bij de al voorziene confrontatie met andere opkomende imperialistische machten zoals Duitsland en Japan.

In het proces dat toen begon, moest men formules opstellen om de hernieuwde functionering van het neokoloniaal systeem te garanderen. De politiek van “goede buurschap” moest veel rekening houden met de Zuid-Amerikaanse oppositie tegen het openlijk interventionisme dat Washington in het halfrond had uitgeoefend. De politiek van Roosevelt had als doel om via de diplomatische formule van “goede buurschap” een nieuw imago te bekomen in hun relaties binnen het continent.

Als een van de aangepaste maatregelen werd op 29 mei 1934 een nieuw Relatietraktaat tussen Cuba en Noord-Amerika ondertekend, als een herziening van het verdrag van 22 mei 1903. Toen was het door een andere Roosevelt ondertekend, misschien een verre verwant: die van de Rough Riders die in Cuba aan land kwamen.

Twee dagen eerder op 27 mei om 10u30 ‘s morgens, op het moment dat de ambassadeur van de Verenigde Staten, Jefferson Caffery, zich zoals gewoonlijk klaarmaakte om zijn residentie in Alturas de Almendares te verlaten, werd hij het slachtoffer van een aanslag: enkele onbekenden schoten vanuit een auto drie keer op hem. De volgende dag, op 28 mei, werd de dienstwagen van de eerste secretaris van de ambassade van de Verenigde Staten, H. Freeman Matthews, ‘s middags bij het oversteken van de Vijfde Avenue van het residentieel kwartier Miramar, nadat hij was teruggekeerd van de diplomaat in de Ambassade, vanuit een auto door verschillende gewapende mannen met mitrailleurs aangevallen. Een van hen richtte zich tot de chauffeur en zei hem om aan Matthews te laten weten dat hij een week tijd had om Cuba te verlaten, daarna brak hij met een klap de voorruit van de wagen en scheurden ze weg.

Deze aanvallen laten de algemene staat van vijandigheid tegenover de Verenigde Staten zien en kunnen de ondertekening versneld hebben van het nieuwe Relatietraktaat, dat een einde maakte aan het onpopulaire Amendement Platt.

Het nieuwe Relatietraktaat beperkte het recht van de Verenigde Staten om in Cuba te interveniëren en bepaalde dat:

"De Republiek Cuba en de Verenigde Staten, gedreven door de wens om de vriendschapsbanden tussen de twee landen te versterken en met dit doel de onderlinge relaties te wijzigen die zijn vastgelegd in het Relatietraktaat, ondertekend in Havanna op 22 mei 1903, (... ) zijn de volgende artikels overeengekomen:

[... ]

"Artikel 3.- Gezien de twee partijen van het contract niet overeenkomen over de wijziging of de afschaffing van de bepalingen van de Conventie, op 16 februari 1903 ondertekend door de President van de Republiek Cuba en op 23 februari van hetzelfde jaar door de President van de Verenigde Staten van Amerika, betreffende de verhuring van gebieden in Cuba aan de Verenigde Staten van Amerika voor basissen voor marineschepen of kolenschepen, blijven de bepalingen van die Conventie betreffende de marinebasis van Guantánamo gelden. In verband met deze marinebasis blijft eveneens, onder dezelfde vormen en voorwaarden, de bijkomende regeling gelden betreffende basissen voor marineschepen of kolenschepen, tussen beide partijen opgesteld op 2 juli 1903. Zolang de Verenigde Staten van Amerika van hun kant de genoemde marinebasis van Guantánamo niet verlaten of zolang de twee regeringen niet akkoord gaan met een verandering van de huidige grenzen, zal het gebied behouden blijven zoals het nu bezet wordt, met de grenzen die het heeft op datum van de ondertekening van het huidige Verdrag."

Op 1 juni 1934 ratificeerde de Senaat van de Verenigde Staten het nieuwe Relatietraktaat en Cuba volgde op 4 juni. De ratificaties van het Relatietraktaat van 29 mei van dat jaar werden vijf dagen later, op 9 juni, in Washington uitgewisseld, waardoor het amendement Platt formeel werd afgeschaft, maar de Marinebasis in Guantánamo bleef bestaan.

Het nieuwe Verdrag, dat het deel van de akkoorden tussen beide landen van 16 en 23 februari en van 2 juli 1903 over de gronden en waters in Bahía Honda annuleerde en wijzigde om de gronden en waters in de marinebasis van Guantánamo te vergroten, legaliseerde de facto de situatie waarin de marinebasis van Guantánamo zich bevond.

De Verenigde Staten behielden de marinebasis in Guantánamo als strategische plaats voor bewaking en bescherming, om haar politieke en economische overheersing over de Antillen en Midden-Amerika te verzekeren en voor de verdediging van het Panama-Kanaal.

VIERDE DEEL: DE MARINEBASIS IN GUANTANAMO SINDS DE FORMELE AFSCHAFFING VAN HET AMENDEMENT PLATT TOT AAN DE OVERWINNING VAN DE REVOLUTIE

Na het ondertekenen van het Relatietraktaat van 1934, werd het gebied van de “marinebasis" beetje bij beetje versterkt en uitgebouwd tot de Basis in de lente van 1941 was ingericht voor operaties onder de volgende structuur: een basis voor schepen, voor vliegtuigen, voor een korps van mariniers en voor opslagplaatsen.

Op 6 juni 1934 had de Senaat van de Verenigde Staten een wet goedgekeurd, waardoor het Ministerie van de Zeemacht een contract op lange termijn kon tekenen met een firma die op adequate wijze voor de waterbevoorrading zou zorgen in de Marinebasis in Guantánamo, maar voordien had Noord-Amerika plannen gemaakt om een aquaduct te bouwen die hen van water zou voorzien uit de rivier Yateras.

De expansie nam toe en tegen 1943 werden er andere faciliteiten gebouwd dankzij een contract met de firma "Frederick Snare Co.", die ongeveer 9 000 arbeiders tewerkstelde, waaronder vele Cubanen.

In 1951 werden de militaire en burgerlijke installaties van de Basis gigantisch uitgebreid. In 1952 besliste het Ministerie van de Zeemacht van de Verenigde Staten om de naam van "U.S. Naval Operating Base" te veranderen in "U.S. Naval Base" en op dat moment was er al een constructie voor het Trainingscentrum opgezet.

DE GRONDWET VAN 1940, DE REVOLUTIONAIRE STRIJD EN DE MARINEBASIS IN GUANTANAMO TOT DECEMBER 1958.

In de periode van einde 1937 tot 1940 werden vanuit politiek oogpunt maatregelen genomen om verkiezingen voor het Grondwetgevend Parlement uit te roepen en te organiseren. Batista stemde in met die democratische maatregelen, want het was in zijn belang dat er formules werden vastgelegd waardoor hij in het centrum van de politieke beslissingen kon blijven. Dit garandeerde hem de voortzetting van zijn macht in de nieuwe orde die hij had ingesteld. In het begin van 1938 werd het akkoord tussen Batista en Grau om een Grondwetgevend Parlement te vormen, bekendgemaakt. De inauguratie van de Grondwetgevende Conventie vond plaats op 9 februari 1940 en op 8 juni van datzelfde jaar beëindigde ze haar werkzaamheden.

De Grondwet werd op 1 juli 1940 ondertekend en op de 5de van die maand uitgevaardigd. De nieuwe Wet der Wetten bepaalde dat "het grondgebied van de Republiek het eiland Cuba omvat, het Isla de Pinos en de overige eilanden en aanpalende riffen die erbij hoorden onder de heerschappij van Spanje tot de bekrachtiging van het Verdrag van Parijs op 10 december 1898. De Republiek Cuba zal geen enkel verdrag of traktaat afsluiten of ratificeren dat de nationale soevereiniteit of de integriteit van het grondgebied beperkt of schendt."

De oligarchie sloofde zich uit om de verwezenlijking van de meest vooruitstrevende bepalingen van deze Grondwet te verhinderen of tenminste de toepassing ervan zoveel mogelijk te beperken.

VIJFDE DEEL: DE MARINEBASIS IN GUANTANAMO VANAF DE OVERWINNING VAN DE REVOLUTIE

Vanaf de overwinning van de Revolutie heeft de Revolutionaire Regering de illegale bezetting van dit gedeelte van ons grondgebied aangeklaagd.

Daarentegen veranderden de Verenigde Staten vanaf 1 januari 1959 het onrechtmatig in bezit genomen gebied van de Marinebasis in Guantánamo in een permanente bron van bedreigingen, provocaties en schendingen tegenover de soevereiniteit van Cuba, met de bedoeling om het zegevierend revolutionair proces te bemoeilijken. De genoemde Basis was altijd betrokken bij de plannen en operaties die Washington bedacht om de Revolutionaire regering omver te werpen.

Allerlei soorten aanvallen kwamen vanuit de Marinebasis:

Vliegtuigen komende van de Basis dropten ontvlambaar materiaal op vrij grondgebied.

Noord-Amerikaanse soldaten voerden provocaties uit, zoals beledigingen, stenen gooien en blikken met ontvlambaar materiaal, het afvuren van pistolen en automatische wapens.

Militaire Noord-Amerikaanse schepen en vliegtuigen komende van de Basis schonden waters die onder de jurisdictie vallen van Cuba en Cubaans grondgebied.

In de Basis voerde men aanvallen uit op zichzelf om een gewapend gevecht op grote schaal uit te lokken tussen Cuba en de Verenigde Staten.

De Basis schreef zich in bij het Internationaal Register van Frequenties met radiofrequenties van de Cubaanse ruimte.

Op 12 januari 1961 werd de arbeider Manuel Prieto Gómez, die meer dan 3 jaar werkte in de Marinebasis van Guantánamo, door yankeesoldaten gruwelijk gemarteld wegens de “misdaad” om revolutionair te zijn.

Op 15 oktober van dat jaar werd de arbeider Rubén López Sabariego gemarteld en daarna vermoord.

Op 24 juni 1962 werd Rodolfo Rosell Salas, een visser uit Caimanera, vermoord door soldaten van de Basis.

Verder was de Basis in Guantánamo op elk ogenblik een explosief element door de zogenaamde intentie om een uitlokking te fabriceren en de Noord-Amerikaanse troepen te ontplooien voor een “gerechtvaardigde” invasie om Cuba te straffen. Een voorbeeld hiervan vinden we in een van de acties binnen de zogenaamde “Operatie Mangosta", toen op 3 september 1962 Noord-Amerikaanse soldaten die in Guantánamo gestationeerd waren, moesten schieten naar Cubaanse wachtposten.

Tijdens de Oktobercrisis, werd de Basis versterkt met militaire technieken en manschappen tot meer dan 16 000 mariniers. Vóórdat de Eerste Minister van de Sovjetunie, Nikita Chroesjtsjov, zonder de Revolutionaire regering vooraf te consulteren of te verwittigen, besloot om de kernraketten die in Cuba stonden, terug te trekken, legde Cuba de stevige positie van de Revolutie vast in de zogenaamde “Vijf Punten”. In het vijfde punt werd de terugtrekking van de Marinebasis van Guantánamo geëist. We stonden aan de rand van een kernoorlog, waarin wij het eerste doelwit waren als gevolg van de imperialistische politiek om zich Cuba toe te eigenen.

Op 11 februari 1964 reduceerde president Lyndon B. Johnson het Cubaans personeel in de Basis tot ongeveer 700 arbeiders. Ze confisqueerden ook de pensioenfondsen van honderden Cubaanse arbeiders die in de Basis hadden gewerkt en ze weigerden op illegale wijze de pensioenen te betalen van de Cubanen die al gepensioneerd waren.

Op 19 juli 1964 werd de jonge soldaat van 17 jaar, Ramón López Peña, van dichtbij neergeschoten in de bunker waar hij zijn wachtdienst deed, in een grove provocatie van Noord-Amerikaanse grensposten tegen de Cubaanse Grenswachters.

Op 21 mei 1966 stierf soldaat Luis Ramírez López in gelijkaardige omstandigheden door geweerschoten, afgevuurd vanuit de Basis.

In amper 21 dagen van de maand mei in 1980, namen meer dan 80 000 manschappen, 24 schepen en ongeveer 350 gevechtsvliegtuigen deel aan de manoeuvres Solid Shield-80 , waarbij 2 000 mariniers ontscheepten vanuit de Basis en de genoemde installatie met nog eens 1200 manschappen werd versterkt.

Tijdens de viering van het IVde Congres van de PCC in Santiago de Cuba in oktober 1991, schonden vliegtuigen en helikopters komende vanuit de Basis het Cubaanse luchtruim boven de stad.

In 1994, ondersteunde de Basis de invasie in Haïti: de Noord-Amerikaanse luchtmacht gebruikte de vlieghavens van deze enclave. Meer dan 45 000 emigranten uit Haïti werden midden 1995 bijeengebracht op de Basis.

Op dezelfde manier was er in 1994 een migratiecrisis door de verharding van de blokkade en de zwaarste jaren van de speciale periode, door het niet naleven van het Migratieakkoord van 1984 dat was afgesloten met het bestuur van Reagan, door de aanzienlijke vermindering van uitgereikte visa en de aanmoediging van illegale emigratie, alsook door de Cubaanse Aanpassingswet, die meer dan 40 jaar geleden door president Johnson was opgesteld.

Als gevolg van de crisis die uitbrak, verklaarde president Clinton op 19 augustus 1994 dat de Basis een concentratiekamp voor migranten werd, bedoeld voor de ongeveer 30 000 Cubaanse bootvluchtelingen.

Uiteindelijk werd op 9 september 1994 door het bestuur van Clinton en de regering van Cuba een Gemeenschappelijk Communiqué ondertekend, waarbij de Verenigde Staten zich ertoe verbonden om onderschepte illegale emigranten niet toe te laten op hun grondgebied en om jaarlijks minimum 20000 visa uit te reiken voor de hereniging van families die langs een veilige weg naar de Verenigde Staten reisden.

Op 2 mei 1995, kwamen de regeringen van Cuba en van de V.S. bij de migratie-onderhandelingen tot een bijkomend akkoord, dit keer ‘Gemeenschappelijke Verklaring' genoemd, dat een procedure vastlegde om iedereen die bleef proberen om illegaal naar de V.S. te emigreren en door de Noord-Amerikaanse kustwacht werd onderschept, terug te sturen naar Cuba.

Merk op dat men enkel spreekt over de illegale immigranten die door de kustwacht worden opgepakt. De grondslagen voor een sinistere handel waren gelegd: de trafiek van personen. De Moordende Wet werd behouden. Cuba zou het enige land ter wereld zijn dat op die manier onder de knoet lag. Terwijl ongeveer 250 000 mensen langs veilige weg, zonder het minste risico, reisden, is daartegenover een groot aantal vrouwen, kinderen en mensen van alle leeftijden omgekomen bij de lucratieve trafiek van immigranten.

Vanaf de migratiecrisis van 1994 begonnen, door een akkoord tussen beide regeringen, de legerbevelhebbers van elke kant elkaar regelmatig te ontmoeten. Een landstrook die bezaaid was met mijnen werd vaak overstroomd door tropische stormen en buiten hun oevers tredende rivieren. Niet zelden riskeerden onze mineurs hun leven om mensen te redden die deze militaire zone overschreden, zelfs met kinderen.

Tussen 1962 en 1996, werden 8 288 belangrijke schendingen door de Marinebasis in Guantánamo geregistreerd, waaronder 6 345 door vliegtuigen, 1 333 door schepen en 610 schendingen op het land. Van het totaal aan overtredingen, gebeurden er 7 755 tussen 1962 en 1971.

DE MARINEBASIS IN GUANTANAMO VANAF DE UITVAARDIGING VAN DE WET HELMS-BURTON

Deze Wet, die door president William Clinton op 12 maart 1996 werd ondertekend, bepaalt onder Titel II betreffende de "steun aan een vrij en onafhankelijk Cuba", in alinea 12 van de Sectie 201 over de "politiek voor een democratisch verkozen overgangsregering in Cuba", dat de Verenigde Staten moet "klaarstaan om met een democratisch verkozen regering in Cuba te onderhandelen over de teruggave van de Marinebasis van de Verenigde Staten in Guantánamo of om het huidige akkoord opnieuw te onderhandelen onder voorwaarden die beide partijen aannemen". Nog slechter dan de militaire bevelhebber Leonard Wood, die samen met Theodore Roosevelt voet aan land zette in de buurt van Santiago de Cuba: het idee dat een annexionist van Cubaanse afkomst ons land zou regeren.

De oorlog van 1999 in Kosovo veroorzaakte een groot aantal Kosovaarse vluchtelingen. De regering van Clinton was in die oorlog van de NAVO tegen Servië betrokken en besloot de Basis te gebruiken voor de opvang van een aantal vluchtelingen. Hierbij stelde ze Cuba op de hoogt van de genomen beslissing, voor het eerst zonder enige vorm van voorafgaand overleg zoals gewoonlijk. Ons antwoord was constructief: hoewel we gekant waren tegen de onrechtvaardige en illegale strijd, hadden we geen reden om ons te verzetten tegen humanitaire hulp aan de Kosovaarse vluchtelingen. We boden onze samenwerking aan voor eventueel vereiste medische bijstand of gelijk welke andere dienst die ze nodig hadden. Uiteindelijk werden de Kosovaarse vluchtelingen niet naar de Marinebasis in Guantánamo gestuurd.

In de Eed van Baraguá van 19 februari 2000, staat dat "het illegaal bezet gebied van Guantánamo ten gepaste tijde moet worden teruggegeven aan Cuba, maar dat het op dit ogenblik geen prioriteit is, hoewel een uiterst rechtmatig en onweerlegbaar recht van ons volk.” Op dit moment vechten we voor de terugkeer van de gekidnapte jongen en tegen de economische gevolgen van de brutale blokkade.

DE MARINEBASIS IN GUANTANAMO VANAF 11 SEPTEMBER

Op 18 september 2001, ondertekende president Bush de wet van het Congres van de V.S., die hem toeliet om het leger in te zetten als antwoord op de aanslagen van 11 september. Bush baseerde zich op deze wet toen hij op 13 november van dat jaar een Militaire order ondertekende, die de juridische basis legde voor de opsluiting en berechting voor militaire rechtbanken, als onderdeel van de “oorlog tegen het terrorisme", van individuen die geen burgers waren van de Verenigde Staten.

Op 8 januari 2002 verklaarden de Verenigde Staten officieel aan Cuba dat ze de Marinebasis in Guantánamo zouden gebruiken als detentiecentrum voor de gevangenen van de oorlog in Afghanistan.

Drie dagen later, op 11 januari 2002, kwamen de eerste 20 gevangenen aan, tot men het cijfer bereikte van 776 gevangenen uit 48 landen. Die gegevens werden natuurlijk niet meegedeeld. We veronderstelden dat het over gevangenen uit de Afghaanse oorlog ging. De eerste vliegtuigen landden volgepropt met gevangenen en met nog meer bewakers dan gevangenen. Diezelfde dag liet de Regering van Cuba in een publieke verklaring weten dat ze ter beschikking stond om medische bijstand te verlenen indien nodig, met programma's voor de gezondheid en voor de strijd tegen ziektekiemen en plagen in onze gebieden rond de basis, of met gelijk welke nuttige, constructieve en humanitaire vorm van hulp die ze kon aanbieden. Ik herinner me de gegevens omdat ik persoonlijk meewerkte aan de details van de Nota die de MINREX voorstelde als antwoord aan de Noord-Amerikaanse Mededeling. Hoe konden we ons op dat ogenblik inbeelden dat de Regering van de Verenigde Staten zich klaarmaakte om in deze basis een gruwelijk martelkamp op te richten.

De Socialistische Grondwet die was afgekondigd op 24 februari 1976, bepaalde in alinea c) van artikel 11, dat "de Republiek van Cuba de traktaten, afspraken of vergunningen die onder ongelijke omstandigheden werden overeengekomen en die haar soevereiniteit en haar territoriale integriteit ontkennen of verminderen, als illegaal en ongeldig beschouwt."

Op 10 juni 2002, bekrachtigde het volk van Cuba, via een volksraadpleging zonder precedent de socialistische inhoud van die Grondwet van 1976 als antwoord op de uitingen van inmenging en agressie van de President van de Verenigde Staten, en het Nationaal Parlement van de Volksmacht besloot om ze te wijzigen om er onder andere het onweerlegbaar principe expliciet in vast te leggen van de economische, diplomatieke en politieke relaties van ons land met andere staten, door aan alinea c) van hetzelfde artikel 11 het volgende toe te voegen: "De economische, diplomatieke en politieke relaties met gelijk welk ander land zullen nooit kunnen onderhandeld worden onder agressie, bedreiging of dwang van een vreemde mogendheid."

Na de bekendmaking van de Verklaring aan het volk van Cuba op 31 de juli 2006, lieten de Verenigde Staten weten dat ze geen migratiecrisis wensten, maar dat ze klaarstonden om preventief in te grijpen door de Marinebasis in Guantánamo te gebruiken als concentratiekamp voor de illegale emigranten die ze op zee onderschepten. De Verenigde Staten verklaarden openlijk dat ze de civiele gebouwen op de Basis aanpasten met de bedoeling de capaciteit te vermeerderen voor de opvang van illegale emigranten.

Cuba heeft van haar kant alle mogelijke maatregelen genomen om incidenten tussen de militaire troepen van beide landen te vermijden en heeft verklaard dat het zich houdt aan de afspraken van de Gemeenschappelijke Verklaring over migratie, die met het bestuur van Clinton was overeengekomen. Waarom zoveel geblaat, bedreigingen en kabaal?

Het symbolisch jaarlijks bedrag van 3386.25 dollar voor de huur van het gebied van de Marinebasis in Guantánamo werd betaald tot in 1972, toen Noord-Amerika van haar kant het bedrag aanpaste tot 3676 dollar. In 1973 kwam er een nieuwe correctie van de waarde van de vroegere V.S.-dollar in goud en daardoor is de cheque die het Ministerie van Financiën verstuurt, sindsdien verhoogd tot het jaarlijks bedrag van 4085 dollar. Deze cheque is ten laste van de Zeemacht van de Verenigde Staten, operationeel verantwoordelijk voor de Marinebasis.

De cheques die de Regering van de Verenigde Staten uitschrijft als betaling voor de huur, zijn gericht aan "De Algemene Schatbewaarder van de Republiek van Cuba", een instituut dat met haar personeel sinds vele jaren geen deel meer uitmaakt van de structuur van de Regering van Cuba en elk jaar worden de cheques via diplomatieke weg teruggegeven. Die van 1959, is puur per vergissing verwerkt bij de nationale inkomsten. Vanaf 1960 tot op vandaag zijn ze nooit geïnd en ze blijven een bewijs voor een afgedwongen verhuring gedurende meer dan 107 jaar. Ik denk dat het bedrag traditioneel tien keer kleiner is dan wat de regering van de Verenigde Staten uitgeeft aan de jaarwedde van een schoolmeester.

Zowel het Amendement Platt als de Marinebasis in Guantánamo waren niet nodig. De geschiedenis bewijst dat in een groot aantal landen van ons halfrond, waar er geen revolutie was zoals bij ons en waar de totaliteit van haar grondgebied geregeerd wordt door internationale ondernemingen en oligarchieën, er geen nood is aan een amendement of een basis. Daar houdt de reclame spiegelbeelden voor aan de slecht opgeleide en voornamelijk arme bevolking.

Vanuit militair oogpunt heeft een nucleair vliegdekschip veel meer macht: vol met snelle bommenwerpers en hun uitgebreide escorte, gesteund door de technologie en de satellieten kan het zich verplaatsen naar gelijk welke plaats in de wereld, waar het voor het imperium het beste uitkomt.

De Basis is nodig om mensen te vernederen en de vuile zaken te doen die daar plaatsgrijpen.

Als we moeten wachten op de instorting van het systeem, zullen we wachten. De beproevingen en de gevaren voor heel de mensheid zullen groot zijn, zoals de huidige beurscrisis. En een groeiend aantal mensen voorspellen de val. Het wachten van Cuba zal altijd in staat van oorlogsalarm zijn.

Fidel Castro Ruz

14 augustus 2007

(Vertaling: Yola Ooms)

omhoog