|
Bedenkingen van Fidel Castro
Bush, een Mambi?
Leve een vrij Cuba! Dit was de strijdkreet in vlakten en bergen, in bossen en rietvelden waarmee ze zich kenbaar maakten, zij die op 10 oktober 1868 de eerste onafhankelijkheidsoorlog van Cuba begonnen.
Ik had nooit kunnen denken dat ik deze kreet 139 jaar later zou horen uit de mond van een president van de Verenigde Staten. Het is alsof een koning van vroeger of zijn regent zou uitroepen: Leve een vrij Cuba!
Het tegenovergestelde gebeurde: een Spaans oorlogsschip naderde de kust en vernielde met haar kanonnen de kleine suikerrietplantage waar Carlos Manuel de Céspedes, op enkele kilometers van de kust, de onafhankelijkheid van Cuba had uitgeroepen en de slaven die er waren in vrijheid had gesteld.
Lincoln, de zoon van een eenvoudige houthakker, vocht heel zijn leven tegen de slavernij, die in zijn land bijna honderd jaar na de Onafhankelijkheidsverklaring legaal was. Vasthoudend aan het rechtmatige idee dat alle burgers vrij en gelijk geboren worden en gebruik makend van zijn legale en grondwettelijke bevoegdheden, vaardigde hij een decreet uit voor de afschaffing van de slavernij. Ontelbare mannen gaven hun leven ter verdediging van dit idee tegen de opstandige Staten van slavenhouders in het zuiden.
De volgende woorden worden aan Lincoln toegedicht: “Men kan een deel van het volk altijd voorliegen, of heel het volk een bepaalde tijd, maar niet heel het volk altijd.”
Hij werd neergeschoten toen hij een tweede mandaat als president ambieerde en electoraal niet te verslaan was.
Ik vergeet niet dat het morgen zondag 48 jaar geleden is dat Camilo Cienfuegos in zee verdween, op 28 oktober 1959, toen hij in een vliegtuigje terugkeerde naar de Hoofdstad vanuit de provincie Camagüey, waar hij enkele dagen eerder alleen al door zijn aanwezigheid een garnizoen van eenvoudige strijdkrachten van het Rebellenleger ontwapende. Hun leiders, getrouwen van de burgerideologie, probeerden te doen wat bijna een halve eeuw later Bush zou vragen: de wapens opnemen tegen de Revolutie.
In een mooie inleiding in zijn boek De oorlog van de guerrilla's , zegt Che : “Camilo was de kameraad bij 100 gevechten... de onbaatzuchtige strijder die zich altijd opofferde om zijn karakter te sterken en dat van de troepen te harden... hij was het die deze constructie van woorden de essentiële levenskracht van zijn temperament verleent, van zijn intelligentie en zijn stoutmoedigheid, iets wat men in die exacte proporties slechts bij weinige personages in de Geschiedenis terugvindt.”
“Wie heeft hem vermoord?”
“We zouden beter vragen: wie vernietigde zijn lichaam? Want mannen zoals hij blijven voortleven in het volk... De vijand vermoordde hem, hij vermoordde hem omdat hij hem dood wilde, hij vermoordde hem omdat er geen veilige vliegtuigen zijn, omdat de piloten niet alle nodige ervaring kunnen opdoen, omdat hij overstelpt was met werk en binnen enkele uren in Havanna wou zijn... in zijn geest van guerrillero kon geen wolk een getrokken lijn tegenhouden of doen keren... Camilo en de andere Camilo's (zij die niet aankwamen en zij die nog zullen komen) zijn de indicatie van de kracht van een volk, zijn de hoogste expressie van waartoe een natie in staat is, op voet van oorlog voor de verdediging van haar zuiverste idealen en met het vertrouwen om haar nobelste doelen te verwezenlijken.”
Voor hetgeen hun namen symboliseert, antwoorden we aan de valse Mambi:
Leve Lincoln!
Leve Che!
Leve Camilo!
Fidel Castro Ruz
27 oktober 2007

|