print versie

Het einde van de tunnel

In het begin van de jaren negentig gaven de meeste waarnemers geen cent meer om de Cubaanse revolutie. De economie was compleet in elkaar gestort: de bedrijven werkten nog op 10 à 20% van hun capaciteit, de voedselbevoorrading kwam in het gedrang. In die omstandigheden zou Fidel het niet lang meer volhouden, zo werd algemeen aangenomen. De Miamiboys pakten hun koffers en stonden klaar om het eiland weer te heroveren. Zo ver is het niet gekomen. Eens te meer verbaasde Cuba vriend en vijand. Vanuit een verloren gewaande positie liet het eiland vanaf '94 een opmerkelijk herstel zien. Hier werd het afgelopen decennium economische geschiedenis geschreven.[1]

Marc Vandepitte

Economische oorlog

In 1989 viel de Berlijnse Muur en twee jaar later implodeerde de Sovjetunie. Dat was de gedroomde kans voor Washington om het land economisch te wurgen en definitief komaf te maken met deze tropische revolutie in de achtertuin. Als klein land met nauwelijks grondstoffen, was en is Cuba zeer afhankelijk van de buitenlandse markt. Op het einde van de jaren '80 bestond ongeveer 85% van die handel met Oostbloklanden. Deze werden nu één voor één onder druk gezet om de handel met Cuba te staken. Dat gebeurde ook. Bovendien werd de VS-blokkade verscherpt. De gevolgen waren catastrofaal, enkel te vergelijken met de situatie van een land in oorlog. De totale handelde verminderde met driekwart, de import van voedsel met 65%, die van petroleum met 54%. De hele economie geraakte ontwricht. De productie werd gehalveerd. Heel wat fabrieken moesten hun deuren sluiten. Zo'n 70% van de overheidsbedrijven werkte met verlies. Het overheidstekort schoot omhoog tot zo'n 40%.[2] De waarde van de Cubaanse munt, de peso, stortte in elkaar. Een maandloon was het equivalent van amper 1,5$.[3] Het voedseltekort werd nijpend. De toestand werd onhoudbaar.

De jacht op dollars

Een soort economische noodtoestand werd afgekondigd: de Speciale Periode in Vredestijd . De uitdagingen waren enorm. Het was pompen of verzuipen. Een eerste urgent probleem was het tekort aan buitenlandse deviezen. Om voedsel, energie, medicijnen, wisselstukken, enz. aan te kopen in het buitenland had men vreemde deviezen nodig. Maar als gevolg van de sterk gedaalde exportinkomsten beschikte men nog slechts over een kwart van wat men vroeger had. Om aan de gegeerde dollars, marken of yens te geraken werd het toerisme in versneld tempo uitgebouwd. Jaarlijks bezoeken op dit moment ongeveer 1,8 miljoen toeristen het exotische eiland, dat is zesmaal zoveel als in 1989. Ten tweede werd buitenlands kapitaal aangetrokken. Dat was niet eenvoudig omwille van de blokkadewetten van de VS. Toch slaagde men er in de jaren '90 in om meer dan 370 buitenlandse bedrijven aan te trekken. Zij investeerden de laatste tien jaar gezamenlijk zo'n 4,3 miljard $ in de Cubaanse economie, dat is meer dan de netto-inkomsten van het toerisme in die periode. Ten derde wou men greep krijgen op de zwarte markt van dollars. Jaarlijks sturen Cubaanse familieleden in het buitenland gemiddeld 800 tot 1.000 miljoen $ op naar hun verwanten. Het ging dus over een zeer grote, maar illegale geldstroom.Omdat het tot 1993 ten strengste verboden om dollars te bezitten, circuleerden deze dollars alleen ondergronds. Daar heeft de overheid uiteraard geen enkel vat op. Om aan dat euvel te verhelpen werd de dollar ‘gedepenaliseerd'. Voortaan was het bezit van dollars niet alleen toegelaten, maar werd het zelfs aangemoedigd om er zoveel mogelijk uit te geven. Er werden in heel het land wisselkantoortjes opgericht. Cubanen konden voortaan ook in zogenaamde dollarswinkels hun inkopen doen. De Cubaanse overheid bevoorraadt zoveel mogelijk deze winkels met eigen, binnenlandse producten. Op die manier wordt een groot deel van deze geldstroom gerecupereerd. 

De kloof tussen dollar-Cubanen en niet-dollar-Cubanen

Een probleem dat samenhangt met het voorgaande, is de waarde van de peso t.o.v. de dollar. Een probleem met vooral sociale implicaties: de zogenaamde kloof tussen ‘dollar-Cubanen' en ‘niet-dollar-Cubanen'. In het begin van de jaren '90 stortte de productie in elkaar en sloten heel wat fabrieken hun deuren. In een kapitalistische economie brengt zoiets massale werkloosheid en verlies van koopkracht met zich mee. In Cuba daarentegen bleef de regering de lonen uitbetalen. Maar door de crisis kon men met zijn loon (pesos) bijna geen goederen meer kopen. Men zat dus met een ‘geldoverschot': er kwamen veel pesos in omloop waar men echter niet veel mee kon doen, althans niet in het legale circuit. Het gevolg was dat men zijn uitweg zocht in de zwarte markt, waar de prijzen omhoog schoten: gemiddeld 90 maal meer dan de officiële prijzen. Een tweede gevolg was de waardeval van de peso t.o.v. de dollar. Een te groot aanbod van pesos tegenover schaarse en gegeerde dollars had voorspelbare gevolgen. In augustus 1994 bereikte de wisselkoers op de zwarte markt een absoluut dieptepunt. Men moest toen 120 tot 150 pesos neertellen voor 1 dollar, terwijl de officiële koers 1dollar=1peso bedraagt. 

Het probleem van de zwarte markt werd grotendeels opgevangen door de dollar te legaliseren en officiële wisselkantoortjes te openen, die wisselen tegen (zwarte) marktprijzen. De zwarte markt stortte dan ook snel in elkaar.[4]

Het probleem van het geldoverschot was minder eenvoudig en werd omzichtig aangepakt. Belastingen, prijsverhogingen van een aantal luxeartikelen en een korting op het vervroegd afbetalen van een huis verminderden de hoeveelheid geld in omloop. Er werd de mogelijkheid gecreëerd om te werken voor eigen rekening, bijvoorbeeld taxivervoer, autoherstellingen, het openen van een privérestaurantje, enz. Dit soort kleine middenstanders kan zijn prijzen vrij bepalen. Die liggen beduidend hoger dan elders. Ook dat nam een deel van het geldoverschot weg.[5] Hetzelfde geldt voor de landbouwmarkten. De hoge prijzen daar deden het geldoverschot eveneens verminderen. In elk geval hadden deze gecombineerde maatregelen succes. Op anderhalf jaar tijd werd de waarde van de peso zeven maal sterker. Een unieke prestatie in de economische geschiedenis. Meteen ook werd de kloof tussen dollar- en niet-dollar-Cubanen zeven maal kleiner.

Betere planning, hogere efficiëntie

Naast de monetaire problemen, moest de productiesfeer grondig aangepakt worden. De gehele economie was ontredderd. Twee zaken waren daarbij prioritair: een betere planning en een hogere efficiëntie. Op korte termijn moest de hele productiesfeer gereorganiseerd worden: verlieslatende takken moesten vervangen worden door meer rendabele, de verschillende sectoren moesten beter met elkaar verbonden worden, er moest voorrang gegeven worden aan de meest dringende behoeftes, enz. Daarom werd de centrale planning versterkt . In 1996 werd opnieuw een uitgebreid plan opgesteld waarbij per sector gedetailleerde doelstellingen werden vastgelegd. Terzelfdertijd werd de planning ook versoepeld en dynamischer gemaakt. Het was de bedoeling om de efficiëntie (het rendement) zoveel mogelijk te verhogen. Daartoe weden grote bedrijfseenheden opgesplitst in kleinere. Aan de lokale bedrijfsleiding werd meer autonomie toegestaan. De betrokkenheid van de arbeiders werd verhoogd door hun loon gedeeltelijk te koppelen aan de resultaten, of door het geven van stimuli en bonussen onder de vorm van dollars. Dat gebeurde vooreerst en vooral in de landbouw. Gaandeweg werd het ook doorgevoerd in de andere sectoren. De wegbereider van deze herstructureringen was het leger (FAR).

Verbluffende resultaten

Hoewel de omstandigheden allerminst comfortabel waren en vele maatregelen een sprong in het onbekende, kan men achteraf stellen dat het hervormingsproces gebeurde volgens een coherente en uitgebalanceerde strategie, die vertrok vanuit duidelijk vooropgestelde lijnen. De maatregelen werden stuk voor stuk goed overwogen. Voorop stond het behoud van sociale verworvenheden en de nationale soevereiniteit. Er werd een zo groot mogelijke consensus bij de bevolking nagestreefd. Het was geen schocktherapie, de maatregelen werden geleidelijk en niet overhaast ingevoerd. Op de uitdagingen werd flexibel ingespeeld zonder afstand te doen van de basisprincipes van de marxistische economie. De resultaten zijn ronduit indrukwekkend:

  • De waarde van de munt werd zeven maal sterker.

  • Het aantal toeristen verzesvoudigde sinds 1989.

  • Het overheidstekort daalde van 40% tot ongeveer 2,5%.

  • De export van goederen en diensten steeg met 279% sinds 1993.

  • De productie van nikkel steeg met 270% sinds 1994.

  • Het BNP steeg jaarlijks gemiddeld met 4,7% sinds 1995, terwijl dat voor Latijns-Amerika 3% is.

  • De verhouding schuldenlast/export daalde van 474% in 1993 naar 213%, in Latijns-Amerika is dat momenteel 261%.[6]

Zelfs het Pentagon kan niet anders dan toegeven dat de hervormingsmaatregelen vruchten afwerpen en dat de ontevredenheid bij de bevolking steeds verder afneemt. Er resten natuurlijk nog heel wat problemen op te lossen. Maar, aan het huidig groeiritme zal binnen dit en vier jaar de Cubaanse economie opnieuw het niveau halen van de jaren '80. De economie zal er dan wel volledig anders uitzien en zal vooral veel efficiënter werken dan voorheen.

Weinig landen kenden in de naoorlogse geschiedenis een dergelijke economische terugval. Nog minder landen wisten zich zo snel te herstellen. Dat is des te meer opmerkelijk in het licht van de blokkade. Helemaal uniek is het feit dat deze crisis en het herstel plaatsgrepen zonder dat grote lagen van de bevolking verpauperden.[7] “Met het socialisme valt nooit en nergens te spotten” merkt Jaap Kruithof terecht op.[8]

grafiek evolutie economie

 

Bronnen:

Vandepitte M., De gok van Fidel. Cuba tussen socialisme en kapitalisme? Berchem 1998.

Granma, Cepal, eigen berekeningen

 

[1] Dit artikel is een zeer verkorte en vereenvoudigde versie van De gok van Fidel. Cuba tussen socialisme en kapitalisme? van dezelfde auteur.
[2] Ter vergelijking: het ‘dramatische' tekort op de Belgische begroting in het begin van de jaren '80 bedroeg 13%, dus driemaal minder dan dat van Cuba.
[3] Een maandloon op Cuba drukt niet hetzelfde uit als bij ons omdat heel wat basisvoorzieningen gratis zijn of een heel lage prijs hebben. De vergelijking maakt wel duidelijk hoe groot de spanning was tussen Cubanen die over dollars beschikken en zij die er geen hebben.
[4] De zwarte markt is sterk verminderd maar niet verdwenen. Hij is in elk geval veel kleiner dan de informele sector in Latijns-Amerika, waar hij meer dan 50% van de tewerkstelling uitmaakt. Voor de Europese Unie wordt de zwarte economie overigens op 25% van het BNP geschat. undp, Human Development Report 1999, Washington 1999, p. 37 en 93. (Voortaan afgekort door HDR of RDH voor de Franse versie.)
[5] Correcter geformuleerd, het geldoverschot werd daardoor geconcentreerd in weinig handen, waardoor het destabiliserend effect verdween. Deze ‘nieuwe rijken' potten hun geld (tijdelijk) op, waardoor het directe geldaanbod op de markt verkleint.
[6] Berekend op basis van Worldbank, World Development Report 2000/2001 New York 2000, p. 313 en 315.
[7] In Oost-Azië herstelden de landen op Indonesië na, vrij snel van de financiële crisis van 1997. Maar het aantal armen is er ondertussen toegenomen met meer dan 50 miljoen, de lonen en de tewerkstelling zijn nu veel lager dan voor de crisis. In Cuba daalde het aantal armen van 800.000 in de periode 1989-1991 naar 510.000 in 1998, dat is een verminderding van meer dan één derde. Het kindersterftecijfer daalde van 12‰ naar 6‰, waarmee Cuba vandaag beter scoort dan de VS. unctad, Trade and Development Report, 2000. New York 2000, p. vii; World Development Report 2000/2001 , p. 25; HDR 1999, p. 40; RDH 2000, p. 169; unicef, The State of the World's Children 2000, New York 2000, Statistical Table 1; en berekend op basis van HDR 1994 , p. 132, 134 en 174; HDR 1997, p. 54.
[8] Geciteerd in De gok van Fidel , p. 14.

omhoog