|
Naar het einde van de Speciale Periode op Cuba? Deze lezing gaat over de economische actualiteit op Cuba. Dat is een moeilijk thema omwille van twee redenen. Ten eerste omdat economie in het algemeen voor een doorsnee publiek niet vanzelfsprekend is. Behalve in enkele gespecialiseerde richtingen, wordt economie in het onderwijs niet aangeleerd. Dat is merkwaardig en vooral een ernstige handicap omdat de economie de basis is van elke maatschappij. De meeste mensen zijn dan ook niet vertrouwd met de (soms technische) basisgegevens die nodig zijn om de economie van een land of op wereldschaal te begrijpen. Ten tweede is het begrip van de Cubaanse economie extra moeilijk omdat die totaal verschilt van de onze. De Cubaanse economie is veel minder gemonetariseerd dan de onze. Dat wil zeggen dat de prijs van heel wat goederen en diensten niet overeenkomt met de reële waarde ervan, of dat er zelfs helemaal geen prijs voor betaald moet worden. Heel wat goederen en diensten zijn immers gratis of hebben een zeer lage prijs omwille van de subsidiepolitiek. Wat de zaken nog meer compliceert is het dubbele, legale geldcircuit. Zo'n 60% van de bevolking heeft een inkomen dat zowel bestaat uit de Cubaanse peso als uit de 'convertibele peso' (de zogenaamde CUC). Voor bepaalde goederen of diensten moet je betalen in peso voor andere in CUC. Dat maakt bijvoorbeeld de berekening van de reële koopkracht (de vraag: hoeveel verdient een Cubaan nu eigenlijk?) er niet eenvoudiger op. Deze lezing bevat twee grote delen. Het eerste deel concentreert zich op de recente maatregelen: het vervangen van de dollar door de CUC als betaalmiddel en de revaluatie van zowel de peso als de CUC. Om dat allemaal goed begrijpen en te zien waarom die maatregelen genomen werden is het nodig om eerst nog even in te gaan op de Speciale Periode en ten tweede om stil te staan bij de 'reële koopkracht' van de Cubanen en de verdeling van de rijkdom. Het tweede deel behandelt een paar aspecten van de recente economie. We hebben het over de agressie vanwege de VS en het antwoord van Cuba daarop. Ten tweede bekijken we enkele meevallers van de laatste periode en tenslotte overlopen we de belangrijkste economische en sociale resultaten. 1. De Speciale Periode De val van de SU en de andere socialistische landen van Europa had desastreuze gevolgen voor de Cubaanse economie. Cuba was voor zijn buitenlandse handel voor meer dan 80% afhankelijk van die landen en op enkele maanden werd die handel bijna tot nul herleid. De VS deden er nog een schepje bovenop door de blokkade nog gevoelig te verscherpen door de wetten Torricelli (1992) en Helms Burton (1996). De economie kende een nooit geziene depressie; grote delen van de productie werden geparalyseerd. Hieronder enkele cijfers:[1]
Bij dergelijke cijfers kan je statistisch met vrij grote zekerheid voorspellen dat het land afstevent op explosieve situaties. In de recente geschiedenis zijn de landen met een vergelijkbare economische terugval de volgende: Algerije, Joegoslavië en enkele Centraal-Aziatische republieken. In elk van die landen is het uitgelopen op een burgeroorlog. Argentinië, Bolivië, Ecuador, Oekraïne, Georgië, om er maar enkele te noemen, kenden ook een economische terugval, maar lang niet zo erg als Cuba. Deze landen werden één voor één (en soms herhaaldelijk) geconfronteerd met volksopstanden. In andere landen zoals Mexico, Peru, Rusland en Zuid-Korea, zagen we massademonstraties en langdurige stakingen. In Cuba heeft zich niets daarvan voorgedaan. Ondanks het aanhoudend gestook van CIA-zenders bleef de onrust beperkt tot enkele relletjes in de straten van Havana en een kortstondige migratiegolf in de zomer van 1994. In dergelijke economische omstandigheden gaat de sociale situatie er ook steevast sterk op achteruit, tenminste dat is het recept in alle kapitalistische landen. In Cuba kreeg de bevolking een gevoelige achteruitgang van de koopkracht te slikken, maar gingen de sociale indicatoren er zelfs op vooruit. Zo daalde de kindersterfte - dat is de belangrijkste indicator om het sociale welzijn van een bevolking te meten - tijdens de Speciale Periode van 12 per duizend naar 6 per duizend en behoort daarmee tot de laagste van de wereld (zie verder). Het volstaat ook om de sociale situatie van Cuba te vergelijken met die van de SU na 1991 [2] om te beseffen wat in dat land is gerealiseerd. Dat alles mag ons niet doen vergeten dat de Cubanen voor enorme uitdagingen stonden. Vooreerst was er een acuut tekort aan buitenlandse deviezen. Voor een land dat heel sterk afhankelijk is van de invoer uit het buitenland, is dat heel ernstig. Ten tweede was er de dramatische val van de waarde van de peso t.o.v. die van de dollar (op de zwarte markt). Op een gegeven moment was het maandloon het equivalent van anderhalve dollar. Dat kon op termijn tot explosieve situaties leiden. Ten derde moest zowat de gehele economie geherstructureerd en geheroriënteerd worden. Tenslotte moesten dringend nieuwe markten gezocht worden om te ontkomen aan de dubbele blokkade (die van de VS en die van de ex-socialistische landen, die onder druk waren gezet door de VS om hun handel met Cuba te stoppen). De Cubaanse overheid ging over tot een doordacht en evenwichtig crisismanagement. Buitenlandse investeerders werden aangetrokken, het toerisme werd in versneld tempo uitgebouwd, de dollar werd gelegaliseerd, Cubanen kregen de mogelijkheid om voor eigen rekening te gaan werken, er kwamen grondige hervormingen in de landbouw, subsidies aan staatsbedrijven werden afgebouwd en de macro-economie onderging een radicale herstructurering. De resultaten lieten niet op zich wachten. Vanaf 1994 was er een heropleving die sedertdien is blijven duren en de gemiddelde groei van Latijns-Amerika ver overtreft.[3]
2. De reële koopkracht 2.1 Wat verdient een Cubaan nu eigenlijk? Hoeveel een Cubaan verdient weten we. Op dit moment is dat gemiddeld ongeveer 260 peso. En als je daarbij alle stimuli en andere extra's die heel wat werknemers daarbovenop ontvangen optelt, dan kom je aan 354 peso. [4] Maar de vraag is: hoeveel is dat nu waard, en vooral wat kan je daar allemaal mee kopen? Om die vragen te beantwoorden moet je de 'reële koopkracht' berekenen. [5] In de inleiding stelden we reeds dat de prijzen van producten of diensten vaak niet overeenkomen met hun economische waarde (d.w.z. met de kostprijs om zo'n product te maken of zo'n dienst te leveren). We geven enkele voorbeelden om dat te illustreren. Zo kost de maandelijkse factuur van energie- en waterverbruik voor een doorsnee Cubaans gezin evenveel als 2 pintjes in het 'dollarcircuit' (vandaag is dat het 'CUCcircuit'). Voor een pakje sigaretten moet je evenveel betalen als het maandelijks voedselpakket voor een heel gezin (dat niet volledig, maar toch voor een groot gedeelte de behoeften dekt). Met geld dat je uitgeeft voor één liter benzine kan je verschillende keren naar een film, een theaterstuk of baseballwedstrijd gaan. Dat is het gevolg van de subsidiepolitiek van de Cubaanse overheid. De basisgoederen zijn hetzij gratis (onderwijs, gezondheidszorg, heel wat culturele en sportmanifestaties, …) hetzij spotgoedkoop en te betalen in Cubaanse peso. De meeste luxegoederen zoals alcohol, tabak en benzine daarentegen, zijn heel duur. Ze zijn te betalen in CUC. Ook voor de aankoop van extra-goederen bovenop het basispakket, verkrijgbaar in de dollarshops (nu CUCshops), of voor een consumptie in een restaurant dat vroeger vooral mikte op toeristen maar nu meer en meer door Cubanen wordt bezocht, wordt een hoge prijs gerekend. Tenslotte zijn er ook nog de goederen die slechts door een heel kleine minderheid van Cubanen kan aangekocht worden: een nieuwe auto, een computer, hoogtechnologisch materiaal, enz. Deze goederen zijn voor een doorsnee Cubaan extreem duur. Door die verschillende categorieën van goederen en de dubbele munt is het dus opletten geblazen als je wil weten wat de koopkracht is van een Cubaan. Als je het berekent op basis van de wisselkoers (die was lange tijd één dollar = 26 peso) dan verdient een Cubaan gemiddeld rond de elf euro. Maar dat is een absurde berekening. Want voor dat geld kan je bij ons nog niet naar de dokter gaan, terwijl dat voor een Cubaan gratis is en hij zoveel kan gaan als nodig is. Nochtans wordt deze primitieve berekening meestal gehanteerd in de massamedia en zelfs door 'Cuba-experten'. In Cuba moet je het inkomen, anders dan bij ons, niet beschouwen als een loon maar eerder als 'zakgeld'. Nemen we het volgende voorbeeld om dat te verduidelijken. Jan is een Belgische tiener van 14 jaar oud en heeft welgestelde ouders. Hij krijgt maandelijks 60 euro zakgeld, hij heeft dus een inkomen van 60 euro. Maar dat zegt niets over zijn reële koopkracht. Want als Jan iets nodig heeft voor school, betalen zijn ouders. Idem voor kleren en voor vervoer. Jan speelt tennis en rijdt te paard, uiteraard betalen zijn ouders. Jan gaat ook jaarlijks op reis met zijn ouders naar een tropische bestemming, hij moet daar niets voor betalen. Moet Jan naar het hospitaal, dan zal hij daar geen euro van zijn budget aan moeten besteden. Vergelijk dat met zijn buur Piet, die werkloos is en een uitkering krijgt van 600 euro. Zijn inkomen is dus monetair gesproken tienmaal zoveel. Maar zijn reële koopkracht, d.w.z. wat hij zich kan veroorloven, is duidelijk veel minder dan die van Jan. We zullen het zakgeld van Jan m.a.w. nooit beschouwen als een 'inkomen', het is eigenlijk een soort surplus, een extra. Welnu hetzelfde geldt in ongeveer dezelfde zin voor de Cubaanse bevolking. Een ander gevolg van de sterk verschillende prijzen is dat de kloof tussen Cubanen (die over CUC of dollars beschikken en zij die het moeten stellen met pesos) uitgedrukt in geld groot lijkt. Maar als je het uitdrukt in producten, is die veel kleiner, precies omdat die bijkomende producten zo duur zijn in vergelijking met het basispakket. Een voorbeeld. Raúl heeft familie in het buitenland die hem maandelijks 14 dollar opstuurt. Omgerekend weet Raúl daardoor zijn maandinkomen te verdubbelen. Hij kan daar echter maar veertien pintjes mee kopen in het toeristencircuit. De kloof lijkt dus monetair veel groter dan ze werkelijk is. Laten we dat nu eens berekenen. Volgens de gangbare wisselkoers is Maar dat drukt dus zoals gezegd, niets uit over de reële koopkracht. Sinds geruime tijd berekenen de Wereldbank en het ontwikkelingsorgaan van de Verenigde Naties (UNDP) die reële koopkracht voor de verschillende landen van de wereld. Die berekening gebeurt als volgt. Je neemt een korf van bijvoorbeeld 100 goederen en diensten. Je berekent eerst hoeveel deze korf goederen en diensten kost in een ander land, bijvoorbeeld in België. Daarna bereken je hoeveel dezelfde korf van goederen en dienst in Cuba kost, uitgedrukt in peso. Een dergelijke berekening leert dat de korf in België zo'n 200 euro kost en dezelfde korf in Cuba 125 peso. [6] Met 125 peso kan je dan in Cuba evenveel kopen als met 200 euro in België. De 'reële' koopkracht van 1 peso dus gelijk aan 1,6 euro. Het gaat hier over het gemiddelde. De reële waarde is dus ongeveer 40 maal meer waard dan een oppervlakkige berekening van de wisselkoers leert. Voor de basisgoederen, die in Cubaanse peso uitgedrukt nog heel wat goedkoper zijn is de verhouding: Een dergelijke berekening laat toe om de reële koopkracht van een Cubaan te vergelijken met die van een Belg. Welnu, een gemiddeld gezin van twee verdieners en twee kinderen heeft in Cuba omgerekend een netto-inkomen van 1.900 euro (76.600 BEF). Dat is 650 euro (26.200 BEF) of 25% lager dan in België (kinderbijslag inbegrepen).
Hoe zit het met de andere categorieën? Onderstaande tabel leert dat het gezinsinkomen van alleenstaanden en gepensioneerden in Cuba duidelijk lager is dan de rest. Zij behoren tot de problematische groepen van de Cubaanse samenleving. Het zijn precies deze twee categorieën die onlangs hun inkomen sterk hebben zien toenemen (zie verder). De inkomens zijn uitgedrukt in oude Belgische franken.
2.2 De verdeling van de rijkdom De berekening van de reële koopkracht laat ook toe om de verdeling van de rijkdom in kaart te brengen. In Cuba ziet die er als volgt uit. Elke band vertegenwoordigt opnieuw 10% van de bevolking. De bovenste band geeft het inkomen aan van de 10% rijksten, de onderste band dat van de 10% armsten. De verticiale stippellijn geeft de armoededrempel weer. In de VN-rapporten wordt de drempel voor armoede gelegd op 2 $ per dag (PPP) [7] en die voor extreme armoede op 1 $ (PPP), of respectievelijk 60 en 30 $ (PPP) per maand.
Je ziet dat de onderste band beduidend kleiner is dan de negen andere. Deze band komt overeen met de categorieën van alleenstaanden en gepensioneerden. Deze verdeling verschilt heel grondig van die van Latijns-Amerika. Daar is de basis heel smal en de top zeer breed. Merk in dat verband op dat de bovengrens in Latijns-Amerika vijf maal hoger ligt dan in Cuba. Het gegeven is gekend: een kleine elite die zich bijna alle rijkdom toeeigent ten koste van de meerderheid van de bevolking, waarvan een groot gedeelte in grote armoede verkeert. In Cuba zijn deze extremen afwezig. Ongeveer de helft van het continent is arm en bijna een kwart extreem arm. In Cuba komt zelfs de onderste 10 % daar nog ruimschoots boven. Dat is zoals gezegd het gevolg van de Cubaanse prijzenpolitiek en de rantsoenering van een deel van de basisgoederen. Indien we de twee diagrammen op elkaar leggen krijgen we volgend beeld.
In vergelijking met de toplaag van Latijns-Amerika, de 30% rijksten, komt de Cubaan er slechter tot veel slechter van af op het vlak van de koopkracht. Vergelijkt hij zich daarentegen met de andere 70% dan steekt hij er met kop en schouders bovenuit. Zelfs een Cubaan die helemaal aan de onderkant zit treft het nog beter dan 60% van de latino's en dit ondanks de blokkade en de economische terugval, als gevolg van de ineenstorting van de SU. 3. De recente maatregelen. 3.1 Weg met de dollar Sinds de legalisering van de dollar in 1993 was de yankeemunt naast de Cubaanse peso het betalingsmiddel in Cuba. Om een zwarte markt te vermijden, werd de koers niet vastgelegd maar volgde die gewoon de marktverhoudingen. De laatste jaren was de koers vrij stabiel: ongeveer 1 dollar voor 26 peso. Sinds een goede twee jaar stelde zich echter het probleem van een dalende dollarkoers t.o.v. van andere grote munten zoals de euro en de yen. Voor Cuba was dat problematisch. Er komen nogal wat dollars binnen van Cubanen die in de VS wonen en regelmatig wat opsturen naar hun familieleden op het eiland. Maar omwille van de blokkade gebeurt een belangrijk deel van de handel niet in dollar, maar in andere munten. Met de binnengekomen dollars kan er bijgevolg steeds minder gekocht worden op de wereldmarkt. Het volgende cijfervoorbeeld maakt dat duidelijk. In 2002 was één dollar 26 peso waard en 1,2 euro. In 2004 was de dollar in waarde flink gezakt t.o.v. de euro: 26 peso = 1 dollar = 1,2 euro (situatie in 2002) 26 peso = 1 dollar = 0,8 euro (situatie in 2004) Stel dat er ongeveer één miljard dollar binnenkwam vanuit de VS. Daar kreeg men in 2002 nog 1200 miljoen euro voor, maar in 2004 nog slechts 80 miljoen euro, een verlies van 30%. De waarde van de peso t.o.v. de euro zakte natuurlijk evenredig: namelijk van 0,046 euro naar 0,031 euro. Daar komt nog de extra kost bij om dollars om te wisselen in euro's, yens of andere munten. Bovendien was er in de maand mei van 2004 een poging van de VS om het geldverkeer in Cuba de destabiliseren. Zo kreeg een Zwitserse bank, met Cubaanse tegoeden in dollars, een boete van 100 miljoen dollar omdat ze dollarbiljetten omgewisseld had in andere deviezen. Dat was een bijkomende reden voor de Cubaanse overheid om een einde te maken aan de dollar als betaalmiddel op het eiland. In plaats daarvan kwam de 'convertibele' peso. Die circuleerde reeds beperkt en had dezelfde waarde als de dollar. Vanaf eind oktober kon nergens nog in US dollar betaald worden. Toeristen moesten voortaan betalen met de 'convertibele peso', de zogenaamde CUC. Op de verkoop van 1 dollar werd bovendien 10% taks geheven. 26 peso = 1 CUC = 1 dollar = 0,8 euro (situatie eind oktober 2004) 3.2 Revaluatie van de Cubaanse munten Vanaf 18 maart 2005 werd de waarde van de nationale peso opgewaardeerd met ongeveer 7%. De waarde tegenover de euro bleef ongewijzigd. Dat gaf dan volgende situatie (we ronden af op één cijfer na de komma): 24 peso = 1 CUC = 1 dollar = 0,8 euro (situatie vanaf 18 maart 2005) Vanaf 9 april vond een nieuwe revaluatie plaats, deze maal ook t.o.v. de euro en andere buitenlandse munten: 22 peso = 1 CUC = 1,1 dollar = 0,9 euro (situatie vanaf 9 april 2005) Daarmee had de peso ten opzichte van de euro ongeveer de helft van zijn verloren waarde terugwonnen en was de kloof tussen 'dollar Cubanen' en 'peso Cubanen' met bijna 25% verminderd. De overheid heeft aangekondigd dat het niet bij deze revaluaties zal blijven. In de toekomst is het de bedoeling om geleidelijk de peso te laten stijgen in waarden, zowel ten opzichte van de CUC als van de buitenlandse munten. Bijvoorbeeld:
Dergelijke revaluaties hebben belangrijke gevolgen voor de Cubaanse maatschappij. De revaluatie van de peso t.o.v. de CUC (de linkse pijl) verkleint de kloof tussen de Cubanen die over dollars (of andere buitenlandse deviezen) beschikken en diegenen die het moeten doen zonder. Het is een belangrijke herverdeling van de rijkdom in het voordeel van de armste lagen van de bevolking. Het zal de jacht op dollars, die vaak gepaard gaat met dollars, doen afnemen. Hetzelfde geldt voor de brain drain van de zachte sectoren (onderwijs, gezondheidszorg) naar de toerismesector. De revaluatie van de CUC ten opzichte van de buitenlandse deviezen heeft vooral economische gevolgen, zeker als die gecombineerd wordt met een sterkere peso t.o.v. de CUC. Op dit moment zijn ingevoerde producten voor een doorsnee Cubaan nauwelijks betaalbaar. Met een gemiddeld salaris dat in het buitenland nog geen 15 dollar waard is, vormt de Cubaan geen echt belangrijke afzetmarkt voor het buitenland. Naarmate de munt sterker wordt, verandert die situatie en zal Cuba meer en meer aan economisch belang winnen. Economische lobby's zullen het Witte Huis meer en meer onder druk zetten om de blokkade te beëindigen. Ondanks extremistische elementen in de Bush administratie is het niet uitgesloten dat op relatief korte termijn het reisverbod naar Cuba voor VS-burgers wordt versoepeld en zelfs opgeheven. Ook in Europa zal er meer druk ontstaan om tot normale relaties te komen met het eiland, zeker nu China de handelsbetrekkingen sterk heeft aangehaald en een deel van de Cubaanse markt (in de toekomst) dreigt af te snoepen. De voorbije revaluaties zijn maar mogelijk geweest omdat de economische basis van Cuba sterk verbeterd is. Dat is het gevolg van enkele belangrijke meevallers:
Naarmate deze voorwaarden aanhouden en eventueel nog verbeteren, zullen we in de toekomst nog meer revaluaties mogen verwachten. Het streefdoel is uiteindelijk te evolueren naar één munt, maar dat is nog niet voor morgen. 3.3. Verhoging van pensioenen De gunstige economische basis liet ook toe om een sterke verhoging van de inkomens van de onderste lagen van de bevolking toe te laten. Dat gebeurde op basis van een grondig onderzoek naar de dringende behoeften van de gepensioneerden. Het basisrantsoen werd aangevuld en vanaf 1 mei 2005 werden de pensioenen in sommige gevallen meer dan verdubbeld. Zo werden bijvoorbeeld de laagste pensioenen (tussen 55 en 105 peso) opgetrokken tot 150 peso, een toename tussen 40 en 170 procent. De hogere pensioenen krijgen een relatief kleinere toename. Het gaat hier dus ook om een herverdeling tussen de gepensioneerden zelf. Was er vroeger een verhouding tussen de laagste en hoogste pensioenen van 1 op 6, dan is dat nu teruggebracht tot 1 op 2.
We behandelen in dit tweede deel een belangrijk aspect van de Cubaanse economie dat vaak over het hoofd wordt gezien en we eindigen met enkele resultaten op economisch en sociaal vlak. Doorgaans wordt de militaire dreiging van Washington serieus onderschat. [8] Toen George W. Bush zijn intrede nam in het Witte Huis benoemde hij in zijn administratie een aantal anti-Castro haviken. De nieuwe zaakgelastigde (de officieuze ambassadeur) in Cuba stapelde de ene provocatie na de andere op en probeerde openlijk een oppositiepartij van de grond te krijgen. Dat leidde in het voorjaar van 2003 tot de arrestatie en berechting van een zeventigtal Cubaanse collaborateurs, die in onze pers doorgaans als 'dissidenten' benoemd worden. Tijdens zijn verkiezingscampagne voerde W. Bush de agressie nog verder op. In het najaar van 2004 legde hij het bezoekrecht van Cubaanse Amerikanen aan hun vaderland aan banden. Ook beperkte hij de mogelijkheid om deviezen op te sturen. Dat leidde tot zeer zware protesten, maar het mocht niet baten. Na zijn herverkiezing kondigde Bush aan dat hij met Fidel zou afrekenen binnen zijn tweede ambtstermijn. In mei 2004 werd een Zwitserse bank onder druk gezet om niet langer dollars te wisselen met Cuba, met de bedoeling het geldverkeer compleet te ontregelen. Zoals we hierboven zagen, heeft dat geleid tot de eliminatie van de dollar als betaalmunt. Om het plaatje volledig te maken, moeten we er hier aan toevoegen dat de blokkade het eiland jaar na jaar zo'n 5% van z'n BNP kost.Men kan zich indenken wat daar allemaal niet mee gekocht of geïnvesteerd zou kunnen worden. De Cubanen nemen de dreiging van Bush heel ernstig en gelijk hebben ze. Het zal misschien niet komen tot een regelrechte invasie, maar er zijn heel wat andere scenario's denkbaar: gaande van bombardementen op belangrijke economische doelwitten (zoals in Joegoslavië), een reeks moorddadige bomaanslagen (zoals reeds in het verleden is voorgevallen) of een militaire blokkade van het eiland. Om zich voor te bereiden op elk mogelijk scenario vond tussen 13 en 19 december van het afgelopen jaar een grootschalige militaire oefening plaats. De oefening was belangrijk in de voorbereiding van de Cubaanse economie in het geval van oorlog. 5. Enkele resultaten In de sociale sfeer werd het afgelopen jaar een zeer grote injectie gegeven: in de sociale zekerheid werd het budget opgetrokken met 20,5%, in het onderwijs met 16%, in de gezondheidszorg met 12% en voor kunst en cultuur werd 16% meer uitgegeven. In onze rijke landen, waar tien maal meer geld voorhanden is, kunnen we alleen maar dromen van een dergelijke politiek. De voedselsituatie is de laatste jaren ook zeer sterk verbeterd. Halverwege de jaren negentig was de situatie op het vlak van ondervoeding slechter dan het gemiddelde van Latijns-Amerika. Vandaag zit Cuba aan de kop van het peleton en dat zelfs in vergelijking met de rest van alle derdewereldlanden. Volgens het laatste rapport van de FAO zijn 3% van de Cubanen ondervoed. Het gemiddelde in Latijns-Amerika is 10%. Enkel Argentinië doet het beter met 1,6%. Daarbij moeten we wel rekening houden met het feit dat de cijfers slaan op de periode vóór de crisis losbrak in Argentinië. Vandaag sterven in dat land opnieuw kinderen van de honger. Richten we de focus op de voedselsituatie van kinderen, dan wordt Cuba in het Zuiden enkel vooraf gegaan door de Verenigde Arabische Republiek en laat het zelfs landen als Zuid-Korea en Turkije achter zich. [9] Ook op het vlak van de kindersterfte scoort Cuba bijzonder goed in vergelijking met de rest van Amerika. Dat laat volgende tabel goed zien. [10]
We zagen hierboven reeds dat de economie enkele meevallers kende. Er waren het afgelopen jaar ook tegenvallers: naast de toegenomen agressie van de VS een ongekende droogte, twee orkanen, de lage suikerprijzen, energiecrisis, enkele belangrijke managementfouten en hoge olie- en voedselprijzen. Desondanks kende het BNP een belangrijke groei, namelijk 5%. Dat was iets minder dan het gemiddelde van Latijns-Amerika (5,5%). Dat hoge groeicijfer was vooral te danken aan de impuls van Venezuela (18%), Argentinië (8,2%) en Brazilië (5,2%) na de eerdere zware terugval in die landen. Bekijken we de economische groei van Cuba de laatste twee jaar, dan is de score meer dan behoorlijk. In de grafiek is de horizontale lijn het Cubaanse gemiddelde groei. [11]
De investeringen kenden een groei van 8%, daarmee zijn de bouwstenen voor een toekomstige groei gegarandeerd. Enkele sectoren deden het meer dan behoorlijk: toerisme +10%; constructie +7% en mijnbouw: +5%. Het aantal investeerders begint te dalen, op initiatief van de Cubanen zelf. De Cubaanse overheid wil de economie zoveel mogelijk zelf beheren en controleren. Er wordt gemikt om enkel de grotere multinationals zoals Nestlé, Pernod Ricard, Telecom Italia, Interbrew, Sherritt, Sol Melia, te behouden. [12] Ook dat is een teken dat de Cubaanse economie duidelijk steviger staat dan pakweg tien jaar geleden.
Zonder zeer ernstige tegenslagen of een militaire agressie ziet de toekomst er rooskleurig uit. Vamos bien.
Marc Vandepitte
|