|
Cuba verdedigt zich tegen Amerikaanse huurlingen - dissidenten
Half februari keurde het Cubaanse parlement belangrijke wijzigingen aan de strafwet goed. Tezelfdertijd keurde het parlement ook de "Wet ter verdediging van de nationale onafhankelijkheid en de Cubaanse economie" goed. Vooral hiertegen werd in de Westerse media met veel verontwaardiging gereageerd. De laatste weken verschijnen in onze pers regelmatig artikels over de "verstrakkende maatregelen die Fidel Castro sinds begin dit jaar getroffen heeft". Ze melden ons dat "vooral politieke opposanten, onafhankelijke journalisten en mensenrechtenverdedigers worden geviseerd".[1] Het proces begin maart in Havana tegen 4 "dissidenten" wordt als bewijs aangevoerd.
 Voor heel wat misdrijven werd de strafmaat verhoogd, zoals voor diefstal met geweld, voor drugstrafiek, voor misdrijven waarbij in bende werd gehandeld of indien de aangeklaagde al soortgelijke misdrijven heeft gepleegd. Verder zijn een aantal artikels aan de strafwet toegevoegd die mensenhandel en witwassen van geld expliciet strafbaar maken. "Het werd tijd" was de reactie van vele Cubanen op deze maatregelen. Na 10 jaar economische hervormingen en openheid tegenover het kapitalisme is er immers een heel netwerk van ritselaars, pooiers en andere misdadigers ontstaan, die absoluut niet werden afgeschrikt door de, naar onze normen, zeer milde Cubaanse strafwet. Het is niet toevallig dat beide wetten samen werden besproken in het parlement. De Cubaanse regering beschouwt de criminelen als de vijfde colonne van de yankees. Elke tolerantie hiertegenover betekent een ondermijning van de revolutionaire waarden van de Cubanen. In Oost-Europa hebben we kunnen zien wat de gevolgen hiervan zijn.
De "Wet ter verdediging van de nationale onafhankelijkheid en de Cubaanse economie" is niets anders dan een antwoord op de beruchte wet Helms-Burton die de Amerikaanse blokkade tegenover het eiland in 1996 nog verstrakte. De nieuwe wet verbiedt onder meer om geld te ontvangen van de Amerikaanse overheid en informatie over de buitenlandse bedrijven die in Cuba investeren aan hen door te geven. De Amerikaanse staat dreigt immers met sancties tegen deze bedrijven. Het is deze wet die in de Westerse media met zoveel verontwaardiging werd onthaald. "De inzet is te vermijden dat de doodstraf wordt uitgevoerd, die de VS over de Cubaanse Revolutie hebben uitgesproken" vatte Fidel Castro kort en bondig het Cubaanse standpunt over deze maatregelen samen.
Enerzijds verbiedt deze wet elke vorm van handel met Cuba. Het is aan Amerikanen zelfs verboden om in Cuba geld uit te geven. Amerikaanse staatsburgers die naar Cuba reizen moeten zelf bewijzen dat ze geen enkele uitgave gedaan hebben in Cuba, zoniet overtreden ze automatisch de wet. De strafmaat kan oplopen tot 10 jaar
gevangenisstraf en boetes tot 250.000 dollar. Eind januari hadden al 379 Amerikanen een boete gekregen en tegen 16 wordt zelfs een proces gevoerd.[2]
| De Amerikaanse strategie tegenover Cuba bestaat uit 4 onderdelen.
Het meest gekende aspect is de economische blokkade.
Daarnaast is er de propaganda-oorlog . Elk jaar geeft de Amerikaanse regering 22 miljoen dollar uit aan
19 zenders die vanuit de Verenigde Staten oproepen tot het omverwerpen van het socialisme op Cuba. Alles bij elkaar zenden zij dagelijks 280 uren propaganda tegen Cuba uit.
Verder is er de militaire agressie . De VS hebben vanaf 1959 geprobeerd om Cuba met militaire middelen klein te krijgen. Het bekendste exploot is de mislukte invasie van een huurlingenleger via de Varkensbaai onder President Kennedy.
Maar recent nog zijn er een reeks bomaanslagen gepleegd in Cubaanse toeristische installaties met het doel om het toerisme naar Cuba af te schrikken. In de processen tegen de daders werd klaar en duidelijk bewezen dat ze gefinancierd werden door het FNCA, een organisatie van Cubaanse ballingen in Miami, die hiervoor fondsen ontvangt van de Amerikaanse overheid en die officieel geregistreerd staat als vormingsinstituut.
Tenslotte proberen de VS binnen Cuba zelf een oppositiebeweging van de grond te krijgen. Uit zichzelf is die onbestaande, dus moeten daarvoor de nodige "opposanten" in dienst genomen worden. Die komen goed van pas om tegenover andere landen de economische blokkade te rechtvaardigen. |
| "De echte onafhankelijke journalistiek wordt in de Cubaanse media beoefend. Wij moeten in onze kritische artikels geen rekening houden met geen enkele aandeelhouder, adverteerder, multinational, noch met betutteling door politici, de oligarchie, de mafia, de paramilitairen. We moeten ook niet bezorgd zijn om wat de Amerikaanse ambassade er wel van zal denken of de wereldbank of het IMF. We zijn geen slaven van de beursnoteringen of de markt. Wij moeten niet bang zijn om ons werk te verliezen, bedreigd, gefolterd of vermoord te worden.
Sterker nog, het zijn wij die beschouwd moeten worden als dissidente journalisten. Niet die vier hielenlikkers, maar wel de bijna 3000 journalisten in Cuba die het niet eens zijn met een onrechtvaardige economische en sociale wereldorde. Wij, die weigeren ons het dogmatische en totalitaire denken te laten opleggen. Wij, die een opvatting over de pers verwerpen die steeds meer gedomineerd wordt door verkoopcijfers, oppervlakkigheid, geweld, pornografie en banaliteit.
Nog nooit was de Cubaanse pers zo vrij, ondanks de vijandigheid en de economische oorlog tegen ons land."

Tubal Paez,
voorzitter van de UPEC,
de Cubaanse journalistenvakbond
Granma 11 maart 1999 |
Versoepeling van de blokkade? Maar anderzijds voorziet de wet Helms-Burton clausules om toch geld en hulpgoederen naar Cuba door te sluizen. Dit werd in de Amerikaanse media als "versoepeling" van de blokkade opgevoerd. Maar deze versoepeling bestaat erin dat ze voor zichzelf en de Cubaanse maffia in Miami een opening creëerde om aan welbepaalde figuren (lees "dissidenten") geld en logistieke steun te bezorgen. In de begroting voor 1999 werd zelfs een clausule voorzien waarin de Amerikaanse regering zichzelf verplicht om voor minimum 2 miljoen dollar uitgaven te doen om de Cubaanse oppositie te steunen.
Een woordvoerder van de Clinton-administratie verduidelijkte dat "de toestemming om naar Cuba te reizen beperkt is tot personen die hun contacten met Cubanen willen gebruiken voor de democratisering van Cuba, maar slechts na onze voorafgaande toestemming".
Samengevat: Een Amerikaan die niet naar Cuba gaat om Cubanen om te kopen is strafbaar.
In deze context moeten we het proces situeren tegen Vladimiro Roca Antúnez, Martha Beatriz Roque Cabello, Felix Antonio Bonne Carcassés en René de Jesus Gómez Manzano.
Het dagblad Granma van 4 maart [3] doet uit de doeken wie de 4 "mensenrechten-activisten" zijn.Om te beginnen werkten ze mee aan een intimidatiecampagne tegen buitenlandse investeerders. In een brief die de 4 op 10 oktober 1997 naar alle buitenlandse bedrijven in Cuba opstuurden staat volgende paragraaf: "Op korte termijn zal er zich op Cuba een overgang naar de democratie voordoen. We raden u daarom aan maatregelen te nemen om te voorkomen dat uw huidige investeringen, in de nabije toekomst als een vorm van medeplechtigheid zullen worden beoordeeld aan het lijden dat het Cubaanse volk wordt aangedaan." Ondertussen kregen dezelfde bedrijven vanuit Miami dreigbrieven dat hun bezittingen na de machtsovername aangeslagen zouden worden.
In april 1997 starten onze "democraten" een campagne naar de Cubanen in Miami. Iedereen die geld opstuurt naar
Cuba moet er bij de bestemmelingen op aandringen dat ze niet aan de verkiezingen zouden deelnemen. Een lage opkomst zou voor de contra's een geweldige overwinning zijn. Terwijl de Cubaanse overheid deze overschrijvingen toestaat omwille van de moeilijke economische situatie, roepen zij regelrecht op om de mensen te chanteren zodat ze niet gaan stemmen. Op 11 juli schreef René Gomez een brief naar Frank Calzón, van de stichting Freedom House. "Onlangs had ik een ontmoeting met een pas afgestudeerde student, die jij bij me had langs gestuurd. Hij overhandigde me 200 dollar vanwege mevrouw Bette" (dezetussenpersoon bezorgde hem ook een computer). Frank Calzon ontving op 6 oktober 1995 voor de televisiecamera's een cheque van 500.000 dollar van president Clinton om de oppositiegroepen in Cuba van computers, faxen, tijdschriften en geld te voorzien. In augustus 1997 werd een van z'n koeriers, David Norman Dorn door de Cubaanse autoriteiten onderschept terwijl hij fotocamera's, een computer, zenders en 2000 dollar cash bij zich had en nadat hij een deel ervan al had bezorgd, onder meer aan de groep van Vladimiro Roca.Als gevolg van dit schandaal verliet Frank Calzon "Freedom House" en richtte een nieuwe organisatie op "Centrum voor een vrij Cuba" en ontving onmiddellijk 400.000 dollar werkingsmiddelen van de Amerikaanse overheid.
Sultan van de dissidentie
Onze 4 arme dissidenten kunnen zich dankzij deze financiële steun een comfortabel leventje permitteren terwijl geen van hen werkt. Eén van hen heeft zelfs vier huizen en wordt dan ook smalend de "Sultan van de dissidentie" genoemd. Op een half jaar tijd was Vladimiro Roca 71 keer te horen op Radio Martí. In een verklaring tegenover deze op Cuba gerichte Amerikaanse propa-gandazender, schept Roca op over een ontmoeting die hij had met de chef van het Amerikaans Bureau voor Cubaanse Aangelegenheden. "Hij legde uit dat de VS-regering een gemeenschappelijke politiek wil voeren met de Europese landen. We waren het ook eens dat we afmoeten van het beeld dat de wereld heeft van een confrontatie tussen de VS en Cuba. Het moet gezien worden als een strijd van het hele Cubaanse volk tegen de Cubaanse regering." Als je de andere drie erbij telt waren ze samen 120 keer te horen tussen januari en juni 1997.
Op 25 februari 1997 schrijft Roca een brief naar het Bureau voor VS-belangen in Havana. Hij begint met "Beste Steve, Je moet voor mij 10 kopietjes maken van het document dat ik je hierbij bezorg. Voor jezelf mag je natuurlijk ook de nodige kopies maken" en eindigt met "Hartelijke groeten".
Deze politieke huurlingen hebben in eigen land nauwelijks aanhang maar moeten in het Westen de indruk wekken dat er in Cuba een belangrijke oppositie is en dat die onderdrukt wordt. Dat het proces achter gesloten deuren plaatsvond was dan ook een tegenvaller voor Washington en Miami. Ze konden er geen mediaspektakel van maken. Vermits de Cubaanse staat niks te verbergen heeft tegenover z'n bevolking werd het proces wel op de nationale televisie uitgezonden.
Dankzij de "Wet ter verdediging van de nationale onafhankelijkheid en de Cubaanse economie" heeft de Cubaanse staat een wapen waardoor ze efficiënter kan strijden tegen de economische en politieke vuile oorlog die de yankees elke dag en steeds feller tegen het land voeren.
Adri Hoefnagel
| [1] |
De Morgen 18 februari en 3 maart |
| [2] |
New York Times van 31 januari 1999 |
| [3] |
De integrale tekst is via internet te raadplegen in het Engels, Frans en Spaans onder http://www2.cuba.cu/gobierno.html |

|