|
Cubaanse film OORSPRONG Na zijn uitvinding heeft de cinema, zoals in Mexico en heel Latijns-Amerika, ook spoedig Cuba bereikt. De gebroeders Lumière vertonen hun films in Cuba al begin 1987, dat is iets meer dan een jaar na hun eerste filmvertoning in Parijs. De Spaanse regering liet dat toe, op voorwaarde dat in het programma ook propagandakortfilms over het Spaanse moederland werden opgenomen! Een jaar later, in 1898 wanneer Spanje zijn laatste kolonies aan de Verenigde Staten verliest (behalve Cuba en Puerto Rico ook de Filippijnen), arriveert een vertegenwoordiger van de Amerikaan Thomas Edison om er zijn producten te slijten. Vanaf dan vechten een kwart eeuw lang Europese en Noord-Amerikaanse maatschappijen om de filmmarkt in Cuba. Tot dat gevecht in het voordeel van Hollywood wordt beslecht. Er is wel eens gezegd dat Cuba voor de revolutie een blanco filmland was, maar dat klopt niet. Nog voor de revolutie was Cuba in heel Latijns-Amerika het land met verhoudingsgewijs het grootste bioscooppubliek: per week anderhalve miljoen bezoekers op de toenmalige 7 miljoen inwoners! Maar dat publiek wordt bevoorraad met de meest middelmatige producten uit Hollywood. In 60 jaar tijd zijn er zo'n 150 films gedraaid - wat niet veel is, na de revolutie zal Cuba er nog geen 20 jaar over doen om een zelfde aantal films te produceren - waarvan het niveau op z'n best pittoresk en folkloristisch is. Maar vaak is het veel slechter. Zo is er in 1953, ter gelegenheid van de 100e verjaardag van de geboorte van Cuba's nationale onafhankelijkheidsheld, een Mexicaans-Cubaanse coproductie die José Martí niet als een denker, schrijver en revolutionair voorstelt, maar als een wandelende soort Don Juan. En vlak voor de revolutie was Cuba gespecialiseerd geraakt in een genre, dat technisch perfect, in scopeformaat en in kleur werd gemaakt, namelijk dat van de pornofilm! ICAIC In feite heeft Cuba, ook op filmgebied, een extreme neokoloniale afhankelijkheid van de USA gekend en de Cubaanse cineasten hebben gezegd dat er voor er van een revolutie in de cinema sprake kon zijn er eerst een revolutie in de maatschappij moest plaatshebben. Op 1 januari 1959 is die revolutie er. Tijdens de opstand beschikt het rebellenleger al over Cine Rebelde, maar einde maart wordt het ICAIC gesticht (Instituto Cubano del Arte e Industria Cinematográficos), amper 6 weken nadat Fidel Castro eerste minister is geworden. Maatschappelijke omwentelingen beïnvloeden altijd het culturele leven en in de geschiedenis zien we menige revolutie de cinema vooruitstuwen. Maar in het geval van Cuba is het toch wel opmerkelijk hoe vlug de revolutionaire leiders tewerkgaan. En nog meer welke belangrijke rol ze aan de film als cultureel opvoedingsmiddel geven. Tenzij ik me vergis zou de wet van 24 maart 1959, waarmee het ICAIC werd gesticht, namelijk de eerste grote culturele beleidsdaad van de revolutionaire regering zijn geweest! KUNST EN INDUSTRIE Laten we even bij die wet stilstaan. De lange lijst overwegingen, die de wet inleiden, begint als volgt: "De film is een kunst". Onmiddellijk gevolgd door: "De cinema is een instrument voor het vormen van het individuele en collectieve bewustzijn, dat de revolutionaire geest kan verdiepen en zijn creatief élan ondersteunen". Daarmee wordt duidelijk gesteld dat de revolutie weg wil van het platte geldgewin ("de film is een kunst") én weg van de culturele verdwazing. Maar nog niet waarom de film daarbij zo'n grote rol zou moeten krijgen. Het is geweten dat de Cubanen zich ook op andere artistieke terreinen grote inspanningen hebben getroost en bv. ook in de literatuur hebben zij voor een grote ontplooiing gezorgd, waar trouwens talloze schrijvers van Latijns-Amerika van hebben kunnen profiteren (doordat Cuba hun boeken uitgaf, enz.). Maar in de laatste overweging van de wet staat wel scherp geformuleerd hoe de Cubaanse leiders tegenover het specifieke filmmedium staan en welke rol zij eraan toekennen: "De cinema is het krachtigste en meest suggestieve artistieke uitdrukkingsmiddel en ook het meest directe en meest verspreide middel voor de opvoeding en het verspreiden van ideeën". Het kan een evidentie lijken (wereldwijd kijken mensen elke dag naar film of televisie), maar dat is het niet! Want in deze tijden van "Big Brother" en andere "Betty's" worden film en televisie enkel gezien als "entertainment" en worden we geacht in die hysterie op te gaan. Zonder bij wat dan ook stil te staan, terwijl sluiks alle voyeuristische en andere burgerlijke waarden er bij ons worden ingelepeld. Film mag dan een kunst zijn, voorts zijn de Cubanen geen ijle dromers en zij weten wel dat film ook een industrie is. En dus hebben ze in de stichtingswet van het ICAIC behalve artistieke en politieke, ook economische doeleinden op het oog: "Films leveren inkomsten op. Niet alleen door de vertoning en verkoop ervan, maar ook door ons land beter te leren kennen en bij te dragen tot het toerisme". Er werd dus toen al aan het promoveren van het toerisme gedacht! CINE MOVIL Eenmaal het ICAIC gesticht begint het met volle moed aan zijn taak en het voornemen is tegen 1965 een 15-tal speelfilms te draaien. Zoals we hebben gezegd was Cuba een land met een groot filmpubliek, maar dat betekent niet dat alle Cubanen film zien. In feite waren de zalen haast allemaal geconcentreerd in de steden en daar wil het ICAIC ook iets aan doen. Met mobiele bioscopen, gebouwd op vrachtwagens, wordt vooral het platteland afgegaan en na een werkjaar al worden zo 2 miljoen mensen bereikt! In 1967 is er met "Por primera vez" (voor de eerste keer) zelfs een documentaire gemaakt van zo'n vertoning door de mobiele eenheden van het ICAIC. En wel voor boeren in de streek van Baracoa (het uiterste Oosten van het eiland), die in hun leven nog nooit een film hadden gezien. Ze kregen "Modern Times" van Chaplin te zien, en in de documentaire, slechts 10 minuten lang, beschrijven de ondervraagde boeren hun ervaring als iets zeer mooi, belangrijk en tegelijk "una fiesta". Het ICAIC stuurt zijn cineasten en cineasten in spe het platteland op niet alleen om de filmdistributie te verbreden. Maar ook om het nationale leven zelf te ontdekken en te filmen. En dat is een beleidskeuze, die veel gevolgen zal hebben voor de cineasten zelf. Want de Cubaanse cineasten komen traditioneel uit de steden en uit de welgestelde klassen en hun contact met de boeren zorgt bij hen voor een kennismaking met een realiteit, die zij zich nooit hadden kunnen inbeelden. Het resultaat is een belangrijke bewustwording bij de cineasten en op Cuba zou dat in geen enkele kunsttak van een dergelijke omvang zijn geweest als in de cinema. Voor de cineasten loopt die ervaring ongeveer gelijk met die van de tienduizenden stedelingen, die in 1961 het land gingen alfabetiseren. Er wordt ook gezegd dat in Cuba de filmwereld veel vlugger dan die van de schrijvers de traditionele neiging heeft verlaten van de intellectueel en de artiest om op zichzelf terug te plooien en een houding heeft aangenomen om rechtstreeks met de realiteit contact te nemen. De eerste generatie van cineasten maakte aanvankelijk vooral documentaires, maar dezelfde geest om niet vanuit abstracte theorieën maar vanuit de praktijk te vertrekken is ook in de speelfilm doorgedrongen. En ik denk dat er vandaag genoeg voorbeelden van Cubaanse films zijn, die zowel volks als opvoedend zijn. "Lista de Espera" bv. (Juan Carlos Tabío, 2000). CHE EN FIDEL Een ander opvallend kenmerk, dat regelmatig in de Cubaanse film opduikt, is dat er niet geschroomd wordt te wijzen op wat verkeerd gaat in de Cubaanse maatschappij. Vaak op een ludieke, maar niet mis te begrijpen manier. Bepaalde films steken de draak met de schaduwzijden van het leven op Cuba, maar op de achtergrond speelt dan altijd wel ergens de wil om er discussie en een polemiek over uit te lokken. In het geval van "Fresa y Chocolate" gebeurde dat zo scherp dat je je kon afvragen of het kind niet met het badwater werd buitengegooid. Hoe onweerstaanbaar ik de film bij een eerste visie vond, aanvankelijk heb ik gedacht dat de film ideologisch in feite het socialisme op Cuba onderuit wou halen ... Zoals u weet eindigt hij met de homoseksueel Diego die zich voorneemt Cuba te verlaten, wat dus weinig positief voor Cuba lijkt. Maar als je de film aandachtig bekijkt blijkt uit het hele verhaal de jongcommunist David versterkt te voorschijn te komen, is het niet? Er is wellicht geen enkele Cubaanse film die in het buitenland ooit zoveel werd vertoond - tot op onze eigen televisiezenders - en haast altijd wordt dan erbij gezegd dat je hem moet zien als een soort statement tegen het regime. Maar eenmaal je een aantal representatieve films van de laatste 40 jaar op Cuba hebt gezien merk je wel dat dat polemische niet met "Fresa" begonnen is. Ja, zelfs er van bij het begin aanwezig was. Zoiets komt niet uit de lucht gevallen. Hoewel ik onvoldoende de zaak bestudeerd heb, wil ik toch enige elementen aanrijken die een en ander kunnen helpen verklaren. Hoewel er zeker wat meer over de strijd- en discussiepunten onder de Cubaanse cineasten in die 40 jaar kan worden gezegd, is het toch ook zo dat die niet in het luchtledige plaatshebben. Ze grijpen maw. plaats in het revolutionaire proces op Cuba en er lijkt mij een evidente band te bestaan met de houding van zijn revolutionaire leiders, die er ook niet voor terugschrikken de dingen bij hun naam te noemen. Zo wordt bv. Che Guevara in 1964 gevraagd zijn bijdrage te leveren tot een geschiedenis van de voorbije strijd en opstand tegen de Cubaanse dictator Batista. Het worden zijn persoonlijke "Herinneringen aan de revolutionaire oorlog" en van meetaf aan vraagt hij dat anderen die zouden aanvullen en daarbij niets dan de strikte waarheid schrijven. Meer speciaal over de desastreuze, eerste confrontatie met de troepen van Batista, onmiddellijk na de ontscheping met de gammele boot de Granma op Cuba. Het klinkt alsof Guevara de allereerste kern van wat later tot het Rebellenleger zou uitgroeien tot in zijn naaktheid wil beschreven zien! Zelf schrijft hij uiteraard over de overwinningen, maar evenzeer over de tegenslagen en over alles wat in eigen rangen mis ging. Daarbij wordt je niets bespaard gebleven. De hinderlagen die mislukken, geweren die op het beslissende moment niet afgaan, ... én de zwaktes in het bewustzijn van de guerilleros, tot en met de deserties en het regelrechte verraad. Een andere historische leider, maar nog steeds alive and well, is Fidel Castro en die moet op dat vlak niet onderdoen voor Che. In Cuba is op vele plaatsen waar toeristen en buitenlanders komen het boek "Revolución Cubana - 40 grandes momentos" te vinden (waarschijnlijk ook in het Engels). Een boeiende bloemlezing, niet uit de grote theoretische teksten of uit de geschriften zoals Che's herinneringen aan de oorlog, maar telkens van interventies, oproepen, enz. bij 40 belangrijke momenten (de laatste tekst gaat over het pausbezoek in 1998, met de toespraken van zowel Castro als van de paus). Daarin vond ik enkele merkwaardige uitspraken uit de toespraak, die Castro op 8 januari 1959 bij zijn triomfantelijke intrede in Havana hield. Nadat hij al vanop het Presidentiële Paleis een toespraak tot het volk heeft gehouden, volgt 's nachts een toespraak, die vanuit een militaire vesting via radio en TV over heel Cuba wordt uitgezonden. De zorg om het niet bij een loutere machtswisseling te houden en de machtsovername tot een echte revolutie te laten uitgroeien primeert; Castro zegt dat niet het Rebellenleger, maar het volk de oorlog heeft gewonnen en de vruchten ervan moet kunnen plukken. Alsof dat niet volstond richt hij zich ook rechtstreeks tot de gewapende strijders en dat gaat zo: "De tirannie is omvergeworpen, de vreugde is immens. Maar terwijl het volk lacht en zijn vreugde viert zijn wij bekommerd. Want hoe groter de vreugde van het volk, des te groter is onze verantwoordelijkheid tegenover het volk. (...) Ik zeg het altijd aan de rebellensoldaten: eenmaal de oorlog gewonnen is en we tegenover ons geen vijand meer hebben kunnen alleen wijzelf de vijanden van de revolutie vormen. Wij zullen tegenover niemand zo veeleisend zijn als tegenover de soldaat-rebel. Want van hem zal afhangen of de revolutie triomfeert dan wel mislukt. Wij die de revolutie hebben doorgevoerd moeten ons voor alles afvragen met welke bedoelingen we dat hebben gedaan. Want van ons gewetensonderzoek zal veel van het lot van Cuba en zijn volk afhangen". CUBAANSE VLUCHTELINGEN IN MADRID Met de huidige "periodo especial", die een situatie vol tegenstellingen is, is de Cubaanse film aan een nieuwe uitdaging toe. Net zoals er in het land 2 economieën zijn (de dollar en de peso) heerst in de cinema de coproductie! Een situatie die niet zonder gevaren is, vooral die van de afhankelijkheid van het buitenland, maar de Cubanen hebben al bewezen die situatie aan te kunnen. Hoewel het land momenteel niet in staat is meer dan enkele films per jaar te draaien komt toch regelmatig een belangwekkende film naar boven en dat is voor een klein land uit het Zuiden geen lichte verwezenlijking. Zelfs wanneer bij een coproductie de regie in handen is van een buitenlander lijken de Cubanen hun slag goed thuis te halen en ik denk hierbij speciaal aan een film zoals "Cosas que dejé en La Habana" (wat ik in Havana achterliet)" (Spanje 1998, Manuel Guttiérez Aragón). Een film die voor bepaalde aspecten als een soort vervolg van "Fresa y Chocolate" kan worden beschouwd. De film gaat over 3 jonge, Cubaanse vrouwen, die in Madrid aankomen met de hoop er voortaan het schoon leven en een half paradijs te kennen. De film is het verhaal van een desillusie. Een enge behuizing voor migranten als zij, een half clandestien leven als je niet de nodige papieren hebt, de afzetterijen in de vluchtelingennetwerken, het zeer dure leven, het gebrek aan solidariteit ("hier zet je je persoonlijke gevoelens opzij", zegt een landgenoot) en een wereld waar alles te koop is en vol combines om carrière te maken of zelfs maar te overleven, enz. Kortom, niets blijkt aan hun hoge verwachtingen te beantwoorden. SPAANSE FILM EN LATIJNS-AMERIKA Een coproductie is een zaak van geven en nemen. Spanje is in Europa een opkomende economische mogendheid en op filmgebied voert het sedert begin jaren 90 een politiek van coproducties. Zo krijgt Spanje toegang tot een Latijns-Amerikaanse filmmarkt van 600 miljoen Spaanssprekende kijkers, terwijl voorts gebruik wordt gemaakt van Latinotalenten. En als een film de "Spaanse" nationaliteit krijgt - zelfs als de regisseur een Latino is - valt hij nog binnen de quota van nationale afscherming van de film in Spanje. In zo'n omstandigheden en alle daarmee gepaard gaande compromissen de ware kant laten zien van de Cubaanse diaspora, die echt niet schoon is, is dus geen evidente zaak. Maar blijkbaar slagen de Cubanen er in dergelijke "Spaanse" films toch in hun standpunt te geven, want "Cosas que dejé en La Habana" eindigt zelfs met het koppel Perugorría en zijn Cubaanse liefje dat zich voorneemt zo gauw het kan terug naar Cuba te keren! Misschien is het een goed idee om bij een volgende gelegenheid "Fresa ..." en "Cosas ..." samen te programmeren, net zoals vandaag die 2 muziekfilms "Buena Vista Social Club" en "Lágrimas Negras" worden getoond en vergeleken ... Hoewel "Cosas que dejé en La Habana" in Spanje veel succes kende, was hij hier alleen op het jaarlijkse Brusselse festival Cinémas d'Espagne & d'Amérique Latine te zien. De Spaanse regisseur ervan heeft niet het brio van de veteraan van de Cubaanse cinema Tomás Gutiérrez Alea en wie zich aan een acteursnummer van Perugorría zoals in "Fresa y Chocolate" verwacht zal op zijn honger blijven. Maar "Cosas que dejé en La Habana" is wel een vlotte, lichtvoetige en allicht meer subtiele film dan ik hier heb laten uitschijnen. Die elk publiek kan bekoren en ondertussen en niet mis te begrijpen boodschap brengt. DE CUBAANSE FILM VANDAAG Qua internationale uitstraling van de Cubaanse film zijn er nog andere verwezenlijkingen. Behalve het ICAIC is er nabij Havana, om precies te zijn in San Antonio de los Baños, ook een Internationale Film, Televisie en Videoschool. Die filmschool wordt geleid door zowat de bekendste Latijn-Amerikaanse schrijver Gabriel García Márquez. Filmstudenten uit vooral Latijns-Amerika, Azië en Afrika komen hier het vak leren; er zijn cursussen op basis-, gemiddeld en gevorderd niveau. De school heeft blijkbaar zo'n goede faam dat zelfs vanuit Spanje cineasten hier het vak komen leren. De film "Solas", die in 2000 de grote prijs op het Brussels Internationaal Filmfestival won, is van Benito Zambrano. Een Andalusiër die blijkbaar moeilijk aan de bak kwam in Spanje en eerst 3 jaar in de Cubaanse internationale filmschool script en regie heeft geleerd. Zijn film heeft voor de rest niets met Cuba te maken en ik laat in het midden of die prijs in Brussel wel verdiend was, maar het zegt allicht iets over het niveau van het Cubaanse filmonderwijs. Een langspeelfilm maken is in het huidige Cuba niet gemakkelijk en voorlopig zal dat wel zo blijven. Triomfalisme is hier misplaatst, maar het moet duidelijk zijn dat, ondanks alle problemen van de "speciale periode", Cuba ook op filmgebied niet uitgepraat is en helemaal niet de huidige neergang van de vroegere Sovjet-Unie en Oost-Europa kent. Bruno Bové, 1/10/2001; spreekbeurt Solidariteitsfeest in Kermt (Hasselt) op 4/2/2001 - lid ICS VOORNAAMSTE BRONNEN: |