Om een revolutionaire dokter te zijn, heb je eerst een revolutie nodig

Toespraak van Ernesto Guevara voor geneeskundestudenten en gezondheidswerkers

Havanna, 19 augustus 1960

Kameraden,

Deze eenvoudige ceremonie is er maar een van de vele honderden waarmee het Cubaanse volk elke dag zijn vrijheid viert, de vooruitgang met al zijn revolutionaire wetten, de opmars langs de weg van de totale onafhankelijkheid. Ze is niettemin interessant voor mij.

Bijna iedereen weet dat ik mijn carrière begon als dokter, ondertussen alweer enkele jaren geleden. Toen ik mijn erkenning als arts verkreeg of toen ik geneeskunde begon te studeren, waren de meeste opvattingen die ik vandaag als revolutionair heb, afwezig in het geheel van mijn idealen. Ik wilde, zoals iedereen, succesvol zijn. Ik droomde ervan een befaamd wetenschappelijk onderzoeker te zijn. Ik droomde ervan onvermoeibaar te werken om iets te bereiken dat ter beschikking van de mensheid kon worden gesteld, maar dat op dat moment ook een persoonlijk succes zou zijn. Ik was, zoals iedereen, een kind van zijn milieu.

Nadat ik mijn diploma had behaald begon ik, door omstandigheden en misschien ook omwille van mijn karakter, door Amerika te reizen en leerde ik dit continent door en door kennen. Behalve Haïti en Santo Domingo heb ik alle landen van Amerika op een of andere manier bezocht. En door de manier waarop ik reisde, eerst als student en later als arts, leerde ik de miserie van dichtbij kennen, de honger, de ziekten, de onmogelijkheid om een kind te verzorgen bij gebrek aan geneesmiddelen, de afstomping die de honger en de voortdurende kwelling veroorzaken,… Zelfs in die mate dat een kind verliezen voor een vader een onbelangrijk voorval wordt, zoals vaak gebeurt in de klassen die door tegenslag worden getroffen. En ik begon in te zien dat er dingen waren die me toen bijna even belangrijk leken als een beroemde onderzoeker worden of een belangrijke bijdrage leveren aan de geneeskunde: deze mensen helpen.

Maar ik bleef, zoals wij allemaal, een kind van mijn milieu. Ik wilde deze mensen helpen met mijn persoonlijke inspanning. Ik had al veel gereisd – ik was op dat moment in Guatemala, het Guatemala van Arbenz – en ik was begonnen met notities te nemen om vast te leggen hoe een revolutionaire dokter moest optreden. Ik begon te onderzoeken wat ik nodig had om een revolutionaire arts te zijn.

Maar toen kwam de agressie tegen Guatemala, de agressie ontkenend door de United Fruit, het VS-ministerie van Buitenlandse Zaken, [John] Foster Dulles en hun marionet, die Castillo Armas heette. De agressie had succes, aangezien de bevolking er nog niet de rijpheid had die het Cubaanse volk vandaag heeft. En op een mooie dag koos ik de weg van de ballingschap, of tenminste, ik vluchtte uit Guatemala, omdat dat mijn vaderland niet was.

Toen besefte ik iets fundamenteels: om een revolutionaire dokter te zijn, of om een revolutionair te zijn, is het eerste dat je nodig hebt revolutie. De geïsoleerde, individuele inspanning, de zuivere idealen, de ijver om een heel leven op te offeren aan het nobelste ideaal: dat alles dient tot niets als die inspanning alléén gebeurt, in een of andere uithoek van Amerika, ten strijde tegen regeringen die tegenwerken en in sociale omstandigheden die niet toelaten vooruitgang te boeken.

Om een revolutie te hebben, heb je dat nodig wat er in Cuba is: een heel volk dat in actie komt en dat, doorheen het gebruik van de wapens en doorheen de praktijk van de eenheid in de strijd, leert wat de waarde is van een wapen en van een eengemaakt volk.

En zo bevinden we ons al bij de kern van het probleem waar we vandaag mee te maken hebben. We hebben het recht en zelfs de plicht om bovenal een revolutionaire dokter te zijn, dat wil zeggen iemand die de technische kennis van zijn beroep in dienst van de revolutie en van het volk stelt. En zo komen we opnieuw bij de vorige vragen. Hoe kan men daadwerkelijk een werk van sociaal welzijn doen? Wat moet men doen om de individuele inspanning te doen rijmen met de noden van de maatschappij?

En we moeten opnieuw het leven van ieder van ons nagaan. Wat deden we en wat dachten we, als dokter of in eender welke functie in de openbare gezondheidszorg, vóór de komst van de revolutie. We moeten dit doen met een diepgaande kritische geestdrift, om dan tot de conclusie te komen dat we bijna al wat we dachten en voelden in die voorbije tijd opzij moeten schuiven, en dat we een nieuw type mens in het leven moeten roepen. En als iedereen zelf de architect is van dit nieuwe type mens, zal het veel gemakkelijker zijn om hem te creëren, en om van hem de exponent van het nieuwe Cuba te maken.

Het is goed dat we voor jullie hier, bewoners van Havanna, dit idee benadrukken: dat we in Cuba een nieuw type mens creëren, niet zozeer in de hoofdstad, maar in alle hoeken van het land. Wie van jullie op 26 juli naar de Sierra Maestra is geweest, zal twee totaal onbekende dingen hebben gezien. Een leger met schop en houweel, dat met de grootste trots paradeert op de nationale feestdag, in de provincie Oriente, met houweel en schop opgeheven, net zoals de kameraden miliciens met hun geweren defileren. [Applaus] Maar hij zal ook nog iets veel belangrijkers hebben gezien: kinderen van wie de lichaamsbouw doet vermoeden dat ze acht of negen jaar oud zijn, maar die niettemin bijna allemaal dertien of veertien jaar zijn. Het zijn de echte kinderen van de Sierra Maestra, kinderen van de honger en de miserie in al zijn vormen; het zijn kinderen van de ondervoeding.

Toen in dit kleine Cuba, dat vier of vijf televisiekanalen telt en honderden radiostations, dat beroep kan doen op alle vooruitgang van de moderne wetenschap, deze kinderen 's avonds voor het eerst naar de school kwamen en ze de elektrische lampen zagen, riepen ze uit dat de sterren die nacht erg laag stonden. En deze kinderen, die iemand van jullie wel zal hebben gezien, volgen nu samen les op school, van het alfabet tot een beroep, tot de aartsmoeilijke wetenschap van het revolutionair zijn.

Dit is de nieuwe soort mensen die in Cuba worden geboren. Ze worden geboren op een afgelegen plaats, op verschillende plaatsen van de Sierra Maestra en ook in de coöperatieven en in de werkcentra. En dit alles heeft veel te maken met het thema van onze discussie van vandaag, met de integratie van de dokter of van eender welke andere gezondheidswerker binnen de revolutionaire beweging. Want deze taak, de taak van het opvoeden en voeden van de kinderen, de taak van het opvoeden van het leger, de taak van het verdelen van de gronden van de vroegere, afwezige eigenaars, onder degenen die er elke dag hebben op gezweet, op diezelfde grond, zonder de vruchten ervan te kunnen plukken, dàt is het grootste werk van sociale geneeskunde dat in Cuba is gebeurd.

Het principe waarop het gevecht tegen de ziekten zich moet baseren, is het creëren van een sterk lichaam. Maar niet het creëren van een sterk lichaam dankzij het artistieke werk van een dokter op een zwak lichaam, maar dankzij het werk van de hele gemeenschap, vooral van de sociale gemeenschap.

De geneeskunde zal zich dus op een dag moeten omvormen tot een wetenschap die zal dienen om ziekten te voorkomen, die zal dienen om de hele gemeenschap te oriënteren naar haar medische plichten, en die alleen zal moeten tussenkomen in geval van hoogdringendheid, om een of andere chirurgische ingreep te doen of iets dat zou ontsnappen aan de kenmerken van deze nieuwe maatschappij die we aan het maken zijn.

Het werk dat vandaag aan het ministerie van Volksgezondheid en aan alle organisaties van dit type is opgedragen, is de gezondheidszorg zodanig organiseren dat ze aan zoveel mogelijk mensen hulp kan verlenen, en alle te voorkomen ziekten kan voorkomen, en het volk hierover kan informeren. Maar voor deze organisatieopdracht, zoals voor alle revolutionaire opdrachten, heeft men uiteindelijk het individu nodig. De Revolutie verheft de collectieve wil, het gezamenlijke initiatief, niet tot norm, zoals sommigen beweren. Wel in tegendeel, ze bevrijdt het individuele talent van de mens.

Wat de Revolutie echter wél doet, is dit talent een richting geven. En het is vandaag onze taak om het creatieve talent van alle uitoefenaars van de geneeskunde te oriënteren naar de opdracht van de sociale geneeskunde.

We bevinden ons op het einde van een tijdperk, en dan heb ik het niet over hier in Cuba. Hoezeer men ook het tegenovergestelde beweert, en hoezeer sommigen het ook hopen, in de hele wereld worden de vormen van het kapitalisme die we hebben gekend, waarmee we zijn opgegroeid en waaronder we hebben geleden, vernietigd. [Applaus]

De monopolies worden overwonnen, de collectieve wetenschap boekt dag na dag nieuwe en belangrijke overwinningen. En wij in Amerika hebben de trots, de opofferingsgeest en de plicht gehad om de voorhoede te zijn van een bevrijdingsbeweging die ooit is begonnen in de andere onderworpen continenten, in Afrika en Azië. En deze diepgaande sociale omwenteling vraagt ook diepgaande veranderingen in het mentale weefsel van de mensen.

Het individualisme op zich, als een eenmalige actie van een persoon die zich op z'n eentje in een sociaal milieu bevindt, moet verdwijnen in Cuba. Het individualisme moet morgen betekenen: de totale benutting van het hele individu om absoluut ten dienste te staan van een gemeenschap. Maar zelfs wanneer men dit vandaag begrijpt, zelfs wanneer men de dingen die ik zeg begrijpt, en zelfs wanneer iedereen bereid is om een beetje aan het heden te denken, aan het verleden en aan wat de toekomst zou moeten zijn, zelfs wanneer iedereen bereid is om van manier van denken te veranderen, is het noodzakelijk diepgaande interne veranderingen te ondergaan, naast het meemaken van diepgaande externe, voornamelijk sociale veranderingen mee te maken.

Deze externe veranderingen doen zich elke dag voor in Cuba. Een manier om deze Revolutie en de kracht die het volk in zich heeft te leren kennen, een kracht die gedurende zo'n lange tijd slapende was, is Cuba bezoeken, de coöperatieven en ook alle werkplaatsen die worden opgestart. En een manier om tot de kern van de medische kwestie te komen, is niet alleen de mensen die deel uitmaken van deze coöperatieven en van deze werkplaatsen te leren kennen en te bezoeken, maar ook nagaan welke ziekten ze hebben, aan welke kwalen ze lijden, welke ellende ze gedurende jaren hebben gekend, en die ze gedurende eeuwen van repressie en totale onderwerping hebben geërfd.

De dokter, de gezondheidswerker, moet dan naar zijn nieuwe werkplaats gaan, als een mens in de massa, een mens in de gemeenschap. Wat er ook in de wereld gebeurt, de dokter heeft altijd een erg belangrijke opdracht, een grote verantwoordelijkheid in de sociale omgang, omdat hij zo dicht bij de patiënt staat, omdat hij zoveel kent van zijn diepste psyche, omdat hij dicht bij de pijn komt en hem verzacht.

Enkele maanden geleden was er hier in Havanna een groep pas afgestudeerde dokters die niet naar het platteland wilden gaan. Ze eisten een bepaald salaris om te gaan. Vanuit het gezichtpunt van het verleden is het erg logisch dat dit gebeurt. Tenminste, zo lijkt het mij, en ik begrijp het perfect. Het was eenvoudigweg alsof ik mijn herinnering tegenkwam van hoe ik was en hoe ik dacht, een aantal jaren geleden. Het is opnieuw de gladiator die rebelleert, de eenzame strijder die zich een betere toekomst wil verzekeren, betere levensomstandigheden, en die dus het feit dat men hem nodig heeft uitbuit.

Maar wat zou er gebeurd zijn als niet deze nieuwe jongens, van wie de familie hen meestal enkele jaren studies kon betalen, hun studie afmaakten? Als in hun plaats twee- of driehonderd boeren – laten we zeggen als door magie – uit de universitaire aula's waren getreden?

Wat er zou gebeurd zijn is gewoon dit: deze boeren zouden onmiddellijk, en vol enthousiasme, teruggekeerd zijn naar hun broeders om hen bij te staan. Ze zouden de jobs met de hoogste verantwoordelijkheid en het meeste werk hebben gevraagd, om te bewijzen dat de jaren die ze hadden mogen studeren niet tevergeefs waren geweest. Er zou gebeurd zijn wat we binnen zes of zeven jaar zullen meemaken, als de nieuwe studenten, kinderen uit de arbeiders- en de boerenklasse, hun diploma's zullen behalen.

Maar we mogen niet met fatalisme naar de toekomst kijken en de mensen verdelen in kinderen van de arbeiders- of boerenklasse en contrarevolutionairen. Omdat het simplistisch is en niet juist. Omdat er niets is dat een eerlijk mens méér bijbrengt dan het leven binnen een revolutie. [Applaus]

Want niemand van ons, niemand van de eerste groep die met de Granma aankwam, die zich vestigde in de Sierra Maestra, en die de boer en de arbeider met wie hij samenleefde leerde respecteren, heeft een arbeiders- of boerenverleden. Natuurlijk waren er die hadden moeten werken, die bepaalde noden hadden gekend in hun kindertijd. Maar de honger, echte honger, had niemand van ons gekend. We leerden hem kennen tijdens de twee lange jaren in de Sierra Maestra. En toen werden veel zaken erg duidelijk.

Wij die in het begin al wie ook maar iets aanraakte van een rijke boer of zelfs van een grootgrondbezitter streng straften, brachten later zo'n tienduizend stuks vee naar de Sierra, en we zeiden gewoon tegen de boeren: ‘Eet'. En de boeren aten rundvlees, voor het eerst sinds jaren, sommigen zelfs voor het eerst in hun leven.

Het respect dat we hadden voor het ‘heilige' eigendom van deze tienduizend stuks vee, ging verloren in de loop van de gewapende strijd. We begrepen perfect dat het leven van één enkele mens miljoenen keer meer waard is dan alle eigendommen van de rijkste man ter wereld. [Applaus] We leerden het, we leerden het daar, wij die geen kinderen waren van de arbeidersklasse noch van de boerenklasse. En waarom zouden we overal gaan proclameren dat wij geprivilegieerd waren, en dat de rest van de Cubanen dit niet ook kunnen leren? Ze kunnen het wél leren. Bovendien eist de Revolutie vandaag dat men leert, dat men goed begrijpt dat de eer om je naaste te kunnen dienen veel belangrijker is dan een goed salaris. Veel duurzamer, veel onvergankelijker dan al het goud dat men kan verzamelen, is de dankbaarheid van een volk. [Applaus] En elke arts kan en moet in zijn actieradius deze kostbare schat verzamelen, namelijk de dankbaarheid van het volk.

We moeten dus onze oude ideeën beginnen uitvegen en ons steeds dichter en steeds kritischer onder het volk begeven. Maar niet zoals we hen vroeger benaderden, want jullie gaan nu zeker zeggen: “Ik ben een vriend van het volk. Ik hou ervan met de arbeiders en de boeren een praatje te slaan. Ik ga elke zondag naar daar en daar, om dat en dat te gaan zien.” Iedereen doet dat. Maar waar het vandaag op aankomt is dit niet te doen als een daad van liefdadigheid, maar als een daad van solidariteit. [Applaus] We moeten niet naar het volk gaan en zeggen: “Hier zijn we. We komen je de liefdadigheid van onze aanwezigheid schenken, we komen je met onze wetenschap onderwijzen, je op je fouten wijzen, op je onderontwikkeldheid, op je gebrek aan elementaire kennis.” We moeten naar hen toe gaan met de ijver van een onderzoeker, en met een nederige geest, om te leren uit de grote bron van wijsheid, namelijk uit het volk. [Applaus]

We zullen vaak beseffen hoe fout we waren in onze o zo wijze opvattingen, die automatisch deel uitmaakten van onze kennis. We zullen vaak al onze denkbeelden moeten veranderen, niet alleen de algemene, sociale of filosofische opvattingen, maar soms ook medische. En we zullen zien dat we ziekten niet altijd moeten behandelen zoals men een ziekte behandelt in een ziekenhuis, in een grote stad. We zullen zien dat een dokter soms ook landbouwer moet zijn. We zullen zien hoe we kunnen leren om nieuwe soorten voedsel te zaaien, en hoe we door ons voorbeeld de ijver kunnen zaaien om nieuwe soorten voedsel te consumeren, om de Cubaanse voedingsstructuur te diversifiëren, die zo klein, zo arm is, in een land dat qua landbouw en qua potentieel een van de rijkste ter wereld is. We zullen zien hoe we moeten zijn in die omstandigheden. Een beetje pedagoog, soms een beetje veel pedagoog. Hoe we ook politiekers moeten zijn. Hoe het eerste dat we zullen moeten doen niet het aanbieden van onze wijsheid is, maar wel tonen dat we gaan leren, met het volk, dat we deze grootse en prachtige gezamenlijke ervaring gaan verwezenlijken, namelijk een nieuw Cuba opbouwen.

We hebben al veel stappen gezet, en er is al een onmetelijke afstand tussen die eerste januari 1959 en vandaag. De meerderheid van het volk heeft al lang begrepen dat hier niet alleen een dictator is gevallen, maar dat een systeem is omvergeworpen. Nu komt dus het moment waarop het volk moet begrijpen dat op de ruïnes van een vervallen systeem een nieuw systeem moet worden gebouwd, dat het volk absoluut geluk moet brengen.

Ik herinner me dat in de eerste maanden van vorig jaar onze kameraad [Nicolas] Guillén uit Argentinië aankwam. Hij was dezelfde grote dichter die hij vandaag is. Misschien waren zijn boeken in één taal minder vertaald dan vandaag, omdat hij elke dag nieuwe lezers bijwint, in alle talen van de wereld. Maar hij was dezelfde als vandaag. Maar het was moeilijk voor Guillén om zijn gedichten te lezen, de poëzie van het volk, omdat het toen nog het eerste tijdperk was, het tijdperk van de vooroordelen. Niemand dacht er ooit aan dat de dichter Guillén jarenlang, met onvermoeibare toewijding, heel zijn buitengewone artistieke talent in dienst had gesteld van het volk en van de zaak waarin hij geloofde. De mensen zagen in hem niet de glorie van Cuba, maar de vertegenwoordiger van een politieke partij die taboe was. Maar dat alles is in de vergetelheid geraakt. We hebben ondertussen begrepen dat er geen onderscheid mag worden gemaakt op basis van de manier van denken over bepaalde interne structuren van ons land, als onze vijand gemeenschappelijk is en als ons doel hetzelfde is. En waarin we moeten overeenkomen is of we al dan niet een gemeenschappelijke vijand hebben, en of we al dan niet proberen een zelfde doel te bereiken. [Applaus]

We weten het allemaal, we zijn definitief tot de overtuiging gekomen dat er een gemeenschappelijke vijand is. Niemand kijkt naar opzij om te zien of iemand hem zou kunnen horen – iemand anders, een of andere afluisteraar van de ambassade die zijn mening zou kunnen doorzeggen – vooraleer openlijk zijn mening te zeggen tegen de monopolies, vooraleer openlijk te zeggen: “Onze vijand, en de vijand van heel Amerika, is de monopolistische regering van de Verenigde Staten van Amerika.” [Applaus]

En wanneer iedereen weet dat dat de vijand is en begint te beseffen dat wie tegen deze vijand strijdt iets gemeenschappelijks heeft met ons, dan komt het tweede deel. Wat zijn onze doelstellingen voor ons, voor Cuba? Wat willen we? Willen we al dan niet het geluk van het volk? Vechten we ja of nee voor de totale economische bevrijding van Cuba? Vechten we al dan niet om een vrij land onder de vrije landen te zijn, zonder bij een oorlogsblok te horen, zonder dat we een ambassade van een of andere grote der aarde moeten raadplegen voor eender welke interne of externe maatregel die we willen nemen? Als we de rijkdom willen herverdelen van al wie teveel heeft aan al wie niets heeft [Applaus], als we van het creatieve werk een dynamische bron wil maken die elke dag vreugde brengt, dan hebben we doelstellingen voor ogen. En al wie die doelstellingen deelt is onze vriend. Of iemand dan verder ook andere opvattingen heeft, of iemand tot een of andere organisatie behoort, dat is minder belangrijk.

In momenten van groot gevaar, van grote spanningen en van grote creaties, zijn het de grote vijanden en de grote doelen die tellen. En daar zijn we het al over eens. We weten allemaal al naar waar we gaan, en tot spijt van wie het benijdt, moeten we aan onze taak beginnen. [Applaus]

Ik zei jullie in het begin dat om revolutionair te zijn, je revolutie nodig hebt. En die hebben we al. Maar we moeten ook het volk kennen waarmee we gaan werken. Ik denk dat we elkaar nog niet goed kennen, ik denk dat we op deze weg nog een tijdje moeten wandelen. En als ik me afvraag welke de manieren zijn om het volk te leren kennen, behalve naar het binnenland gaan, coöperatieven bezoeken, in de coöperatieven te leven, erin werken – en niet iedereen kan dit doen, en er zijn veel plaatsen waar de aanwezigheid van een gezondheidswerker erg belangrijk is – behalve die manieren zou ik nog zeggen dat een van de grote uitingen van de solidariteit van het Cubaanse volk de Revolutionaire Milities zijn. [Applaus] Deze milities geven de dokter een nieuwe functie en bereiden hem voor op dat wat in elk geval tot enkele dagen geleden een trieste en bijna fatale realiteit van Cuba was, namelijk, dat we gegijzeld zouden worden – of ten minste, indien geen gijzelaars, slachtoffers van een gewapende aanval van grote omvang.

En ik moet daarbij opmerken dat de dokter, in zijn functie van revolutionaire milicien, altijd een dokter moet zijn. We mogen niet de fout maken die wij in de Sierra hebben gemaakt - al was het misschien geen fout, maar alle dokters-kameraden uit die tijd weten het -: het leek ons een oneer om bij een gewonde of zieke te blijven. We zochten elke gelegenheid om een geweer te grijpen en te gaan tonen, in het front van de strijd, wat werkelijk moest gebeuren.

Nu zijn de omstandigheden anders, en de nieuwe legers die we vormen om het land te verdedigen moeten legers zijn met een andere techniek. De dokter zal hierbij enorm belangrijk zijn. Hij moet steeds dokter blijven, wat een van de mooiste taken is die er zijn, en een van de belangrijkste tijdens de oorlog. En niet alleen de dokter, ook de verplegers, de laboranten, al wie zich aan dit zo humane beroep wijdt.

Maar we moeten allemaal ophouden daaraan te denken - zelfs al weten we dat het gevaar latent is, zelfs al bereiden we ons voor om weerstand te bieden aan de agressie die nog steeds in de lucht hangt. Want als onze voorbereidingen op de oorlog het middelpunt van onze inspanningen worden, kunnen we niet opbouwen wat we willen, kunnen we ons niet wijden aan onze creatieve taak.

Elk werk, elk kapitaal dat wordt geïnvesteerd in het voorbereiden van een oorlogsactie, is verloren werk, is verloren geld. Spijtig genoeg moet het gebeuren, want er zijn er anderen die zich voorbereiden op oorlog, maar – en ik zeg dat in alle eerlijkheid en met al mijn trots van soldaat-zijn – het geld dat me het meeste verdriet doet wanneer ik het van de Nationale Bank zie vertrekken is het geld dat een vernietigingswapen betaalt. [Applaus]

Toch hebben de milities een functie in de vrede. In de bevolkingscentra moeten de milities het wapen zijn dat verenigt en het volk leert kennen. Men moet er een extreme solidariteit beoefenen, zoals het volgens de kameraden die het kunnen weten reeds het geval is bij de milities van de dokters. Ze moeten onmiddellijk de problemen gaan oplossen van de behoeftigen in heel Cuba, in alle momenten van gevaar. Maar het is ook een gelegenheid om elkaar te leren kennen, om samen te leven, verbroederd en gelijk door een uniform, met de mensen van alle sociale klassen van Cuba.

Als wij, gezondheidswerkers, erin slagen, als we allemaal dit nieuwe wapen van solidariteit gebruiken, als we de doelstellingen kennen, de vijand kennen, en de weg langs waar we moeten gaan, is het enige dat we niet kennen het deel van de weg dat we dagelijks moeten afleggen. En dat deel kan niemand ons aanwijzen, dat deel is de eigen weg van elk individu, het is wat hij elke dag zal doen, wat hij zal meenemen in zijn persoonlijke ervaring en wat hij van zichzelf zal geven in de uitoefening van zijn beroep, gewijd aan het welzijn van het volk.

Als we alle elementen hebben om naar de toekomst te marcheren, laten we dan denken aan de leuze van José Martí, die ik op dit moment niet in de praktijk ben aan het brengen maar die men voortdurend in de praktijk moet brengen: “De beste manier om te zeggen is te doen”. En laat ons dan marcheren naar de toekomst van Cuba. [Ovatie]

omhoog